Wat kan een mens weten?

De hoeveelheid kennis die de mens tot nu toe vergaard heeft, is zo groot dat deze nooit door een individu gekend, laat staan begrepen kan worden. Deze enorme kennis is echter wel voor ons toegankelijk via het WorldWideWeb. Dit is de formele kennis die door de verschillende wetenschappen tot stand is gekomen door de wereld rondom ons te objectiveren en vervolgens te bestuderen. Daar tegenover staat ervaringskennis, die veel lastiger te standaardiseren valt, omdat dit kennis betreft die subjectief van aard is. Metafysische ervaringen behoren tot deze categorie van kennis, namelijk: ervaringskennis. De vraag is namelijk of alle mensen het zelfde ervaren bij het zien van bijvoorbeeld een ondergaande zon.

 

Waarover men niet praten kan, moet men zwijgen[1]. Als er dan toch over gesproken wordt, betreft het vaak een metafysisch onderwerp waarover slechts in hypothetische zin wat gezegd kan worden. Deze hypothetische uitspraken hebben pas enige geldigheid als ze zowel verifieer, als falsifieerbaar zijn.

 

Het verifieerbaarheidsprincipe geldt met name in de empirische wetenschap voor de door middel van de inductieve methode verkregen stellingen. Bijvoorbeeld: je ziet een witte zwaan en poneert vervolgens de stelling/hypothese dat alle zwanen wit zijn (inductie). De theorie - alle zwanen zijn wit - moet dan namelijk wel verifieerbaar zijn. Zolang die stelling door nieuwe waarnemingen gestand houdt, blijft de theorie van kracht. De  waarneming die tot een theorie heeft geleid, moet dus met elke nieuwe waarneming weer tot dezelfde conclusie leiden. Men spreekt dan over een verifieerbare theorie. In principe blijft elke theorie een hypothese.

 

Het falsifieerbaarheidsprincipe houdt in dat een hypothese/theorie wel de mogelijkheid in zich moet hebben om weerlegd te kunnen worden. Het moet dus mogelijk zijn om het tegendeel te bewijzen. Als een theorie daarentegen niet falsifieerbaar is, dan is de theorie zonder enige waarde. Bertrand Russell onderbouwde deze stelling met zijn theepot-metafoor.

 

Als ik zou stellen dat er tussen de Aarde en Mars een theepot in een ellipsvormige baan rond de zon draait, dan zou niemand het tegendeel kunnen bewijzen als ik er bij zou zeggen dat de theepot te klein is om gezien te worden, zelfs als onze sterkste telescopen gebruikt zouden worden. Als ik dan zou zeggen dat, aangezien het tegendeel van mijn stelling niet bewezen kan worden, het een ontolereerbare miskenning van het menselijk verstand zou zijn om aan mijn stelling te twijfelen, dan zou iedereen me voor gek verklaren. Maar als het bestaan van deze theepot erkend zou worden in antieke boeken, wanneer het elke zondag als de heilige waarheid wordt aangeleerd en de hersenen van kinderen ermee op school geïndoctrineerd zouden worden, dan zou afzien van geloof in zijn bestaan een teken van excentriciteit worden en zou iemand die twijfelt in een verlicht tijdperk naar een psychiater worden gestuurd, of in een eerdere tijd aan de Inquisitie uitgeleverd worden.

 

Alle metafysische verschijnselen zijn volgens de empiristen niet falsifieerbaar en kunnen om die reden niet wetenschappelijk onderzocht worden. Het is evident dat dit geldt voor de middeleeuwse stelling vanuit het Christendom ‘Er kunnen drie engelen plaatsnemen op de punt van een naald.’, maar naar bijna-dood-ervaringen bijvoorbeeld kan wel degelijk systematisch onderzoek gedaan worden (zoals gebleken is uit het boek dat Pim van Lommel[2] hierover geschreven heeft). Het is onmiskenbaar dat ook ervaringskennis kan leiden tot algemene theorieën, mits we de ervaringen systematisch onderzoeken. Aan die voorwaarde wordt helaas nog maar weinig aandacht besteed, zodat ervaringskennis in hoge mate nog tot de speculatieve wetenschap behoort.

 

Om het waarheidsgehalte van een redenering te toetsen, is het tot het absurde doorvoeren van een argument ook een goede toetssteen. Een mooi voorbeeld van een dergelijke redenering is de volgende: "Als de Aarde plat is, dan kan men er vanaf vallen. Maar niemand valt van de Aarde, dus de Aarde is niet plat."

Om tot algemeen geaccepteerde kennis te komen, moeten we naast onze waarnemingen ook gebruikmaken van ons denkvermogen.

 

[1] Wittgenstein: Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen.

[2] Pim van Lommel was van 1977 tot 2003 als cardioloog verbonden aan het Rijnstate Ziekenhuis in Arnhem. Hij publiceerde in 2007 het boek Eindeloos Bewustzijn.

© 2020 by Marc Cornelisse. Proudly created with Wix.com