Bekentenis van een filosoof
- Marc Cornelisse
- 21 mrt
- 6 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 23 mrt
Erik Meganck spreekt in zijn recente boek GOD over een andere filosofie. Die uitdrukking raakt mij, omdat zij precies benoemt wat in onze tijd vaak ontbreekt. Met die andere filosofie bedoelt hij, naar mijn indruk, geen nieuw systeem over God, maar een andere manier van denken. Het gaat hem niet om een filosofie die de werkelijkheid pas ernstig neemt wanneer zij in begrippen, methoden en verklaringen wordt vastgelegd. Het gaat hem om een denken dat minder vanuit beheersing vertrekt en ruimte laat voor wat zich niet laat vastleggen. In aansluiting bij Heidegger onderscheidt Meganck een zoekend en vragend denken van een correct, methodisch en rekenend denken. Daarbij lijkt hij niet eenvoudig te willen terugkeren naar een klassieke godsleer, maar te zoeken naar een andere wijze van denken over God en werkelijkheid.
Meganck zoekt dus een filosofie waarin het denken niet begint bij beheersing, maar bij ontvankelijkheid. Niet alles wat ertoe doet, komt immers voort uit wat wij zelf construeren. Voor mij laat zijn tekst zien dat er ook iets is dat zich aandient, iets dat aan het denken wordt geschonken, iets dat zich niet laat reduceren tot projectie of ontwerp. Zijn andere filosofie wil daarom niet minder denken, maar anders denken. Zij wil het denken bevrijden uit zijn neiging om alles te willen vastleggen, legitimeren en afsluiten. Zo wordt denken opnieuw een vorm van aandacht voor wat niet door de mens wordt voortgebracht en zich evenmin door zijn greep laat uitputten. Het vertrekpunt ligt dan ook niet in een sluitende kennis van God, maar in het gegeven dat de Naam God zich niet eenvoudig laat schrappen.
Dat wordt scherp zichtbaar in zijn zin: Wat aan het denken wordt geschonken, het 'gedenkwaardige', is rijker dan wat het bewustzijn - dat wil zeggen het menselijke subject - kan ontwerpen. Die zin treft mij, omdat hij het denken niet kleiner maakt, maar juist ernstiger neemt. Denken is dan niet alleen een technisch vermogen waarmee wij de wereld ordenen. Denken is ook de plaats waar zich iets kan melden dat niet door ons wordt gemaakt. Het verschijnt dan niet meer als louter ontwerp of beheersing, maar als antwoord op iets dat het subject niet volledig voortbrengt. In die zin is denken niet alleen activiteit, maar ook ontvankelijkheid.
Precies daar raakt Meganck aan iets dat in mijn eigen filosofie vanaf het begin aanwezig is. Wat nu volgt, is niet langer een weergave van Meganck zelf, maar mijn poging om te begrijpen waarom zijn denken zo sterk resoneert met mijn eigen vertrekpunten. Het bestaan begint niet met controle, maar met aantreffen. In dat aantreffen dient zich al een diepere orde aan die niet door ons wordt gemaakt. Wij kiezen ons lichaam niet, onze geboorte niet, onze tijd niet, onze gevoeligheid niet en ook niet de eerste bedding waarin wij leren voelen, spreken en denken. Het leven verschijnt eerst als gegevenheid en pas daarna als toe-eigening.
Juist daarom begin ik steeds sterker te voelen dat mijn filosofie vraagt om een religieuze grondslag. Die behoefte komt niet voort uit nostalgie en ook niet uit een verlangen om mijn denken vromer te maken dan het is. Zij komt voort uit eerlijkheid. In een eerdere tekst heb ik zelf geschreven dat het religieuze motief in mijn filosofie geen bijkomstigheid vormt en ook geen latere inkleuring is, maar tot de oorsprong van mijn denken behoort. Ik ben ooit vrij vanzelfsprekend gaan spreken over goddelijk bewustzijn en ben later voorzichtiger geworden door steeds vaker te spreken over universeel bewustzijn. Die verschuiving had goede redenen, omdat ik afstand wilde nemen van een al te simpele godsvoorstelling waarin God als bovennatuurlijk wezen tegenover de wereld staat. Toch ben ik gaandeweg gaan vermoeden dat deze zuivering ook iets wezenlijks heeft afgevlakt.
Ik wil mijn filosofie niet religieuzer maken dan zij is, maar ik wil haar ook niet neutraler voorstellen dan zij in werkelijkheid blijkt te zijn. Dat is voor mij het beslissende punt. Wanneer een filosofie werkelijk gedragen wordt door ervaringen van resonantie, waarheid, liefde, geweten, aangesproken zijn en een besef van heilige diepte, dan wordt het moeilijk om te doen alsof het woord God daarin slechts een optioneel begrip is. Voor mij blijkt dan dat God niet zomaar een religieuze naam is voor iets wat filosofisch al die tijd aanwezig was, maar de naam waarin de diepte van die werkelijkheid explicieter hoorbaar wordt. Dat blijkt niet alleen uit denken en geweten, hoe belangrijk die ook zijn. Het blijkt uit veel meer elementen van mijn filosofie.
Het blijkt allereerst uit mijn begrip van de mens als geworpene. De mens verschijnt niet als maker van zijn eigen oorsprong, maar binnen een werkelijkheid die hem voorafgaat en draagt. Hij moet daarom niet primair worden verstaan als autonoom handelend individu, maar als een wezen dat altijd al geplaatst is binnen een groter geheel van relaties, ritmes en betekenissamenhang. Dat is geen kleine verschuiving. Het betekent dat de grond van het bestaan niet in het ik ligt. En zodra die gedachte echt wordt doordacht, ontstaat vanzelf de vraag naar de aard van die dragende grond.
Het blijkt ook uit mijn bewustzijnsbegrip. Ik heb geprobeerd bewustzijn niet te begrijpen als een toevallig neveneffect van materiële processen, maar als iets dat behoort tot de fundamentele structuur van de werkelijkheid zelf. In mijn boeken heb ik al geschreven dat het woord universeel breedte en dragendheid uitdrukt, maar dat het woord goddelijk iets anders toevoegt, namelijk diepte, heiligheid en oorsprong. Juist daar voel ik dat de neutrale taal niet alles zegt wat gezegd moet worden. Zij benoemt wel de structuur, maar raakt niet altijd de volle lading van de ervaring.
Het blijkt verder uit mijn begrip van transcendente ontvankelijkheid. In mijn lezing beschrijf ik hoe intuïtie, geweten, waardebesef en het aanvoelen van richting of juistheid zich niet gedragen als producten van bewuste sturing. Zij dienen zich aan. Zij spreken ons aan en oriënteren ons. Het persoonlijke bewustzijn fungeert daarbij niet als producent, maar als plaats waar deze verschillende modaliteiten van ontvankelijkheid samenkomen en tijdelijk gestalte krijgen. Dat is voor mij een zeer wezenlijk punt. Want als denken, intuïtie en moreel besef niet uit het ego voortkomen, maar verschijnen binnen een veld van ontvankelijkheid, dan wordt het moeilijk om de werkelijkheid louter immanent en gesloten op te vatten.
Ook mijn opvatting over het denken zelf wijst in die richting. In mijn lezing heb ik uitdrukkelijk afstand genomen van de gedachte dat denken een autonome oorsprong zou hebben. Denken functioneert niet als zelfstandige bron, maar als antwoord op wat zich in ervaring aandient. Dat resoneert sterk met Megancks zin over het gedenkwaardige dat rijker is dan wat het bewustzijn kan ontwerpen. Het denken is niet groot omdat het alles beheerst, maar omdat het kan luisteren, ontvangen en antwoorden. Het is daarom niet alleen een kracht van het subject, maar ook een plaats van openheid.
Daar komt nog iets bij. In mijn analyse van keuze en zelfervaring heb ik geschreven dat veel van wat wij als vrije keuze opvatten, eerst als ervaring verschijnt en pas achteraf als keuze uit vrije wil wordt gekwalificeerd. Ook wat wij als een ik ervaren, verschijnt niet als eerste bron, maar als een emergent knooppunt waarin ervaring zich bundelt en gestalte krijgt. Dat inzicht is voor mij niet alleen psychologisch of fenomenologisch belangrijk, maar ondermijnt ook een heel mensbeeld waarin het zelf zichzelf zou funderen. Wat overblijft, is ontvankelijkheid voor wat telkens opnieuw verschijnt. Ook daarin klinkt voor mij een religieuze mogelijkheid mee. Niet als sluitend bewijs en niet als dogma, maar als richting van verstaan.
Daarom helpt Meganck mij. Hij helpt mij niet doordat hij mijn filosofie vervangt, maar doordat hij haar onderbreekt waar zij te zeker dreigt te worden. Die onderbreking verplicht mij niet om zijn denken simpelweg over te nemen, maar om mijn eigen grondslagen zorgvuldiger te doordenken. Hij herinnert mij eraan dat een religieuze grondslag niet betekent dat God een nieuw systeemwoord wordt. God mag niet worden ingezet als laatste stuk van een filosofische puzzel. Zodra dat gebeurt, verdwijnt precies wat religieus van belang is. Dan wordt God opnieuw een object van kennis, terwijl het er juist om gaat dat de grond van het bestaan groter blijft dan wat ons bewustzijn kan ontwerpen.
Dat betekent voor mij dat ik twee dingen tegelijk moet vasthouden. Ik moet erkennen dat mijn filosofie uit meer leeft dan uit een neutrale ontologie. Zij leeft uit ervaringen van waarheid, liefde, aangesproken zijn, ontvankelijkheid en heilige diepte. Ik moet echter ook erkennen dat deze ervaringen nooit volledig opgaan in de begrippen waarmee ik ze probeer te duiden. Daarom volstaat een neutrale taal uiteindelijk niet. Woorden als veld, universeel bewustzijn en ontvankelijkheid wijzen wel in de juiste richting, maar zij benoemen niet altijd de volle diepte van wat zich aandient. Juist daar dringt het woord God zich opnieuw op. Niet als sluitend etiket, maar als een naam waarin die werkelijkheid zich explicieter laat denken en ervaren, zonder ooit tot onze begrippen te kunnen worden teruggebracht.
Dat is uiteindelijk wat ik met een religieuze grondslag bedoel. Mijn filosofie moet trouw blijven aan de oorsprong waaruit zij zelf is voortgekomen. Zij moet durven uitspreken dat de werkelijkheid niet opgaat in constructie, projectie en zelfontwerp. Zij moet durven erkennen dat wat zich aan het denken schenkt rijker is dan wat het bewustzijn kan ontwerpen. En zij moet daarom ook de moed hebben om niet alleen over het universele te spreken, maar opnieuw over God. Voor mij blijkt dan dat God niet slechts een naam is, maar een naam waarin diepte, heiligheid en oorsprong meeklinken.
Misschien geldt ook voor deze tekst dat zij weer moet worden losgelaten. Niet omdat zij onwaar is, maar omdat de waarheid over God nooit samenvalt met wat een mens erover kan schrijven.
Opmerkingen