Berust de relativiteit op bewustzijn?
- Marc Cornelisse
- 3 dagen geleden
- 6 minuten om te lezen
Wij denken bijna allemaal dat wij weten waar de werkelijkheid begint. Wij nemen aan dat zij al voor ons klaar ligt in ruimte en tijd. Iets bevindt zich hier of daar. Iets gebeurt nu of later. Vervolgens verschijnt ergens binnen dat reeds ingerichte universum een individu dat waarneemt, denkt, meet en beschrijft. Dat beeld lijkt vanzelfsprekend, maar juist die vanzelfsprekendheid wil ik hier ter discussie stellen.
Mijn these luidt dat ruimte en tijd niet vooraf als voltooide kaders bestaan. Zij ontstaan pas als actuele orde in en door de perspectivische aanschouwing van het individu. Zij vormen dus niet de voorwaarden waaronder het individu verschijnt. Zij verschijnen pas waar een wereld zich voor een individu opent als hier en nu, als nabij en veraf, als vroeger en later. Dat is geen kleine verschuiving. Zij raakt de grondslag van vrijwel ons hele moderne wereldbeeld. Zolang wij denken dat ruimte en tijd het eerste gegeven zijn, blijft bewustzijn noodzakelijk iets secundairs. Dan verschijnt het individu pas achteraf in een wereld die er al is. Dan kan bewustzijn hoogstens registreren wat reeds onafhankelijk voorhanden ligt. Maar wanneer ruimte en tijd zelf pas in de perspectivische aanschouwing ontstaan, verandert de orde van het denken fundamenteel. Dan wordt bewustzijn niet langer een bijproduct binnen een reeds voltooide kosmos, maar een constitutieve voorwaarde voor het ontstaan van actuele werkelijkheid.
Ik bedoel daarmee niet dat het individu willekeurig een privéwereld verzint. Ik bedoel dat wereld alleen als wereld verschijnt waar actualiteit zich centreert. Er is geen ruimte zonder een hier. Er is geen tijd zonder een nu. Hier en nu bestaan niet als abstracte grootheden buiten de aanschouwing. Zij ontstaan waar een perspectief zich vormt. Dat perspectief is niet algemeen en onlichamelijk. Het wordt concreet gedragen door een individu.
Juist daarom moet volgens mij ook de fysica opnieuw worden doordacht. In de Kopenhaagse interpretatie van de kwantumfysica heeft het bewustzijn of de waarneming al een opvallende rol gespeeld. Daar verschijnt immers het inzicht dat wat fysisch optreedt niet los gedacht kan worden van de wijze waarop het verschijnt. Hoe men die interpretatie ook precies leest, duidelijk is dat bewustzijn daar niet meer eenvoudig buiten het gebeuren staat. Maar mijn inzet gaat verder. Ik wil niet alleen aangeven dat bewustzijn in de kwantumfysica een rol speelt bij meting of verschijning. Ik wil laten zien dat ook in de speciale relativiteitstheorie een diepere ontologische rol van bewustzijn zichtbaar wordt.
Dat is voor velen vermoedelijk een onverwachte stap. De speciale relativiteit geldt immers meestal als een theorie die zonder verwijzing naar bewustzijn kan worden geformuleerd. Zij beschrijft de samenhang van ruimte en tijd, de invariantie van de lichtsnelheid, de Lorentztransformaties, tijdrek, lengtekrimp en de relativiteit van gelijktijdigheid. Gewoonlijk leest men die theorie als een formele beschrijving van de structuur van de fysieke wereld zelf. Ik betwijfel absoluut niet de kracht van die beschrijving. Ik stel alleen een diepere vraag. Waarom heeft de werkelijkheid precies zo’n structuur? Waarom grijpen ruimte en tijd zo in elkaar? Waarom blijven niet tijd en ruimte elk afzonderlijk invariant, maar alleen hun samengestelde maat?
Mijn antwoord luidt dat dit begrijpelijk wordt zodra ruimte en tijd niet langer als primair worden gedacht. Wanneer zij pas ontstaan in de perspectivische aanschouwing van het individu, dan kan hun verhouding nooit absoluut en onafhankelijk zijn. Dan zijn zij vanaf het begin correlatief. Dan drukken zij twee zijden uit van één en dezelfde actualisering. Wat ruimtelijk verschijnt, werkt noodzakelijk door in de temporele orde. Wat temporeel wordt verdicht, herschikt tegelijk de ruimtelijke orde. De speciale relativiteit verschijnt dan niet slechts als een technische theorie over metingen binnen een reeds gegeven ruimte en tijd, maar als formele uitdrukking van een diepere wet van perspectivische actualisering.
Daarmee verschuift ook de betekenis van actualiteit zelf. Werkelijkheid is dan niet iets wat eenvoudig klaar ligt en daarna door een subject wordt bekeken. Werkelijkheid ontstaat waar potentie overgaat in actuele verschijning. Zij ontstaat waar een perspectief zich centreert en waar onderscheidingen als hier en daar en nu en dan werkzaam worden. Ruimte en tijd zijn dan geen containers. Zij treden pas op binnen de wording van een actuele wereld.
In mijn denken ga ik daarom uit van een oorspronkelijk veld van potentiële samenhang, dat ik het universele bewustzijn ben gaan noemen. In dat veld liggen ruimte en tijd nog niet als afzonderlijke grootheden vast. Er is nog geen bepaald hier. Er is nog geen bepaald nu. Er is nog geen uitgewerkt perspectief. Pas waar actualiteit zich centreert in de aanschouwing van het individu, ontstaat een concrete wereldorde. Pas daar worden ruimte en tijd werkelijk.
Dat heeft ook gevolgen voor de manier waarop wij duur begrijpen. Het nu is immers geen wiskundig punt zonder uitgestrektheid. Wij ervaren geen wereld die uiteenvalt in losse flitsen. Wij ervaren een tegenwoordigheid die meerdere fasen nog samen draagt. Die tegenwoordigheid heeft duur. Ook die duur ligt niet vooraf klaar als een leeg temporeel kader. Zij ontstaat door integratie binnen de actuele aanschouwing zelf. Tijd blijkt dan geen neutrale achtergrond waarop gebeurtenissen worden geprojecteerd. Tijd blijkt een wijze te zijn waarop actualiteit zich voor een individu bijeenhoudt. In die zin kun je spreken van ruimtelijke duur, omdat ook ruimte niet als star raster verschijnt, maar als geleefde uitgestrektheid die zich in de aanschouwing opbouwt, verdicht en stabiliseert. En omgekeerd kun je spreken van temporele ruimte, omdat ook tijd niet als geïsoleerd moment verschijnt, maar een eigen spreiding bezit waarbinnen nabijheid, overgang en samenhang van fasen mogelijk worden. Juist daardoor verschijnen ruimte en tijd niet als twee gescheiden domeinen, maar als twee onderling verweven wijzen waarop de wereld zich voor een individu ordent.
Vanuit dat vertrekpunt wordt ook begrijpelijk waarom de relativistische effecten juist dit karakter hebben. Tijdrek en lengtekrimp zijn dan geen bizarre anomalieën binnen een verder vanzelfsprekende ruimte en tijd. Zij drukken uit dat temporele en ruimtelijke orde alleen in onderlinge herschikking kunnen verschijnen. Wat in het ene perspectief als duur verschijnt, wordt in een ander perspectief anders geordend. Wat in het ene perspectief als ruimtelijke uitgestrektheid optreedt, wordt in een ander perspectief anders geschaald. De relativiteit van gelijktijdigheid laat misschien wel het scherpst zien dat tijd geen absolute achtergrond kan zijn. Gelijktijdigheid ligt immers niet vooraf vast, maar komt pas perspectivisch tot stand.
Precies daar ligt voor mij de filosofische betekenis van de speciale relativiteit. Zij leert niet alleen dat metingen van tijd en lengte van toestand en beweging afhangen. Zij suggereert dat ruimte en tijd nooit volledig zelfstandig zijn geweest. Zij verschijnen slechts in een structurele samenhang die perspectivisch wordt geconstitueerd. Daarom zie ik de relativiteitstheorie als aanwijzing dat de structuur van de werkelijkheid alleen begrepen kan worden vanuit een dieper verband tussen bewustzijn en wereld.
Ik beweer daarmee niet dat de natuurkunde eenvoudig uit introspectie kan worden afgeleid. Ik beweer ook niet dat één individueel mens naar believen natuurwetten maakt. Mijn claim is preciezer en radicaler tegelijk. Zonder perspectivische aanschouwing door een individu ontstaan ruimte en tijd niet als actuele wereldorde. Dat betekent dat de fysische wereld zoals zij verschijnt reeds berust op een constitutieve werkzaamheid van bewustzijn. Niet als bijkomstig commentaar op een reeds bestaande werkelijkheid, maar als voorwaarde voor haar actuele wording.
Dat maakt ook duidelijk waarom ik de Kopenhaagse interpretatie slechts als een begin zie. Daar wordt zichtbaar dat de waarnemer mogelijk niet simpelweg buiten het fysische gebeuren staat. Maar daar blijft het debat vaak steken bij de vraag wat meting doet, hoe kwantumreductie moet worden begrepen, of hoe waarschijnlijkheid tot een feitelijke uitkomst leidt. Mijn vraag ligt fundamenteler. Ik vraag niet alleen hoe fysische verschijnselen verschijnen, maar hoe ruimte en tijd zelf verschijnen. Ik vraag niet alleen hoe een systeem een bepaalde toestand aanneemt, maar hoe een wereld als ruimtelijk en temporeel geordende actualiteit tot stand komt. Juist daar wil ik de rol van bewustzijn ontologisch ernstig nemen.
Misschien hebben wij daarom te lang de verkeerde richting uitgekeken. Misschien moesten wij niet eerst vragen hoe een subject zich verhoudt tot een reeds bestaande wereld. Misschien moesten wij vragen hoe zowel subject als wereld verschijnen in één en dezelfde gebeurtenis van actualisering. Zodra die vraag wordt toegelaten, verandert niet alleen onze filosofie van bewustzijn. Dan verandert ook onze lezing van de fysica. Dan kan zelfs de speciale relativiteit worden verstaan als formeel spoor van een dieper principe waarin ruimte en tijd pas geboren worden in perspectivische aanschouwing.
Ik vermoed steeds sterker dat ruimte en tijd niet het eerste woord spreken over wat is. Zij spreken pas wanneer de werkelijkheid verschijnt. En zij verschijnen niet in het luchtledige, maar in en door het individu dat aanschouwt. Misschien ligt precies daar de stap die nog nauwelijks is gezet. De kwantumfysica heeft al laten zien dat bewustzijn niet eenvoudig buiten beeld kan blijven. Mijn vermoeden luidt dat ook de speciale relativiteit uiteindelijk in diezelfde richting wijst. Niet omdat zij minder exact zou zijn, maar omdat zij dieper is dan wij tot nu toe hebben gedacht.
Tot slot wil ik opmerken dat ik deze gedachtegang ook in een meer wiskundige vorm heb uitgewerkt. Die formele uitwerking is in samenwerking met ChatGPT tot stand gekomen en dient als verdere precisering van het hier geschetste ontologische kader. Op te vragen per mail.
Opmerkingen