top of page

Berust de relativiteit op bewustzijn?

Bijgewerkt op: 22 apr

Wij denken bijna allemaal dat wij weten waar de werkelijkheid begint. Wij nemen aan dat zij al vóór ons gereed ligt in ruimte en tijd. Iets bevindt zich hier of daar. Iets gebeurt nu of later. Vervolgens verschijnt binnen dat reeds geordende universum een individu dat waarneemt, denkt, meet en beschrijft. Dat beeld lijkt vanzelfsprekend, maar juist die vanzelfsprekendheid wil ik ter discussie stellen.

 

Mijn these luidt dat ruimte en tijd niet vooraf als voltooide kaders bestaan, maar pas ontstaan als actuele orde in en door de perspectivische aanschouwing van het individu. Zij vormen dus niet de voorwaarden waaronder het individu verschijnt, maar verschijnen pas waar een wereld zich voor een individu opent als hier en nu, als nabij en veraf, als vroeger en later. Daarmee verschuift de grondslag van ons wereldbeeld. Zolang ruimte en tijd als eerste gegeven gelden, blijft bewustzijn iets secundairs. Dan verschijnt het individu achteraf in een wereld die er al is en kan bewustzijn slechts registreren wat onafhankelijk voorhanden ligt. Wanneer ruimte en tijd zelf pas in de aanschouwing ontstaan, wordt bewustzijn geen bijproduct van een voltooide kosmos, maar een constitutieve voorwaarde voor actuele werkelijkheid.

 

Daarmee bedoel ik niet dat het individu willekeurig een privéwereld verzint. Ik bedoel dat wereld alleen als wereld verschijnt waar actualiteit zich centreert. Er is geen ruimte zonder een hier en geen tijd zonder een nu. Hier en nu bestaan niet als abstracte grootheden buiten de aanschouwing, maar ontstaan waar een perspectief zich vormt. Dat perspectief is niet algemeen en onlichamelijk, maar wordt concreet gedragen door een individu. Het is ook niet slechts een standpunt binnen een reeds aanwezige wereld. Het is de gebeurtenis waarin actualiteit zich centreert tot een dragend hier en nu. Het individu is daarom niet alleen degene die waarneemt, maar ook de concrete plaats waar actualiteit zich tot wereld ordent.

 

Van daaruit wordt duidelijk waarom ruimte en tijd noodzakelijk als correlatief paar ontstaan. Werkelijkheid verschijnt immers niet enkel doordat iets actueel wordt, maar doordat een verschil actueel wordt. Een verschil kan echter alleen verschijnen wanneer het zowel lokaliseerbaar als draagbaar is. Het moet ergens optreden om niet in onbepaalde alomtegenwoordigheid te verdwijnen. Het moet enige duur hebben om niet onmiddellijk in een mathematisch niets terug te vallen. Zonder ruimtelijke articulatie ontbreekt het hier waarin verschil zich aftekent. Zonder temporele articulatie ontbreekt de draagduur waarin verschil als verschil kan blijven verschijnen. Daarom ontstaan ruimte en tijd niet als latere toevoegingen aan een reeds actuele wereld, maar als de eerste tweevoudige articulatie van actualiteit zelf. Ruimte vormt de orde waarin verschil lokaliseerbaar wordt. Tijd vormt de orde waarin verschil draagbaar wordt. Wat verschijnt, verschijnt in de oorspronkelijke correlatie van hier en nu.

 

Daarmee sluit deze denklijn aan bij een bredere filosofische en natuurkundige beweging. Kant zag al scherp dat ruimte en tijd niet eenvoudig als eigenschappen van de wereld zelf kunnen worden opgevat, maar samenhangen met de wijze waarop werkelijkheid voor ons verschijnt. Toch bleef hij ze verstaan als voorwaarden van de aanschouwing. Einstein heeft vervolgens laten zien dat ruimte en tijd geen vaste en zelfstandige grootheden zijn. Mijn inzet verlegt deze beweging naar de ontologische grond. Ruimte en tijd zijn niet alleen vormen van verschijning of betrekkelijke ordeningen, maar ontstaan pas waar bewustzijn zich tot actuele ervaring differentieert. Wereld, ruimte en tijd treden op waar ervaring actueel wordt.

 

Vanuit dit uitgangspunt moet ook de fysica opnieuw worden doordacht. In de Kopenhaagse interpretatie van de kwantumfysica heeft bewustzijn of waarneming al een opvallende rol gespeeld. Daar wordt zichtbaar dat wat fysisch optreedt niet los gedacht kan worden van de wijze waarop het verschijnt. Hoe men die interpretatie ook leest, duidelijk is dat bewustzijn daar niet eenvoudig buiten het gebeuren staat. Mijn inzet gaat echter verder. Ik wil niet alleen laten zien dat bewustzijn in de kwantumfysica een rol speelt bij meting of verschijning, maar ook dat in de speciale relativiteitstheorie een diepere ontologische rol van bewustzijn zichtbaar wordt.

 

Dat is voor velen vermoedelijk een onverwachte stap. De speciale relativiteit geldt immers meestal als een theorie die zonder verwijzing naar bewustzijn kan worden geformuleerd. Zij beschrijft de samenhang van ruimte en tijd, de invariantie van de lichtsnelheid, de Lorentztransformaties, tijdrek, lengtekrimp en de relativiteit van gelijktijdigheid. Gewoonlijk leest men die theorie als een formele beschrijving van de structuur van de fysieke wereld zelf. Aan de kracht van die beschrijving twijfel ik niet. Ik stel slechts een diepere vraag. Waarom heeft de werkelijkheid precies deze structuur. Waarom grijpen ruimte en tijd zo in elkaar. Waarom blijft niet elk afzonderlijk invariant, maar alleen hun samengestelde maat.

 

Mijn antwoord luidt dat dit begrijpelijk wordt zodra ruimte en tijd niet langer als primair worden gedacht. Wanneer zij pas in de perspectivische aanschouwing ontstaan, kan hun verhouding nooit absoluut en onafhankelijk zijn. Dan zijn zij vanaf het begin correlatief en drukken zij twee zijden uit van één en dezelfde actualisering. Wat ruimtelijk verschijnt, werkt noodzakelijk door in de temporele orde. Wat temporeel wordt verdicht, herschikt tegelijk de ruimtelijke orde. De speciale relativiteit verschijnt dan niet slechts als een technische theorie over metingen binnen een reeds gegeven ruimte en tijd, maar als formele uitdrukking van een diepere wet van perspectivische actualisering.

 

Daarmee verschuift ook de betekenis van actualiteit. Werkelijkheid ligt dan niet eenvoudig klaar om daarna door een subject te worden bekeken. Werkelijkheid ontstaat waar potentie overgaat in actuele verschijning, waar een perspectief zich centreert en waar onderscheidingen als hier en daar en nu en dan werkzaam worden. Ruimte en tijd zijn dan geen containers, maar treden pas op binnen de wording van een actuele wereld.

 

In mijn denken ga ik daarom uit van een oorspronkelijk veld van potentiële samenhang, dat ik het universele bewustzijn ben gaan noemen. In dat veld liggen ruimte en tijd nog niet als afzonderlijke grootheden vast. Er is nog geen bepaald hier, geen bepaald nu en geen uitgewerkt perspectief. Pas waar actualiteit zich centreert in de aanschouwing van het individu, ontstaat een concrete wereldorde. Pas daar worden ruimte en tijd werkelijk.

 

Dat heeft ook gevolgen voor de manier waarop wij duur begrijpen. Het nu is geen wiskundig punt zonder uitgestrektheid. Wij ervaren geen wereld die uiteenvalt in losse flitsen, maar een tegenwoordigheid die meerdere fasen samen draagt. Die tegenwoordigheid heeft duur. Ook die duur ligt niet vooraf klaar als een leeg temporeel kader, maar ontstaat door integratie binnen de actuele aanschouwing zelf. Tijd blijkt dan geen neutrale achtergrond waarop gebeurtenissen worden geprojecteerd, maar een wijze waarop actualiteit zich voor een individu bijeenhoudt. In die zin kun je spreken van ruimtelijke duur, omdat ook ruimte niet als star raster verschijnt, maar als geleefde uitgestrektheid die zich in de aanschouwing opbouwt, verdicht en stabiliseert. Omgekeerd kun je spreken van temporele ruimte, omdat ook tijd niet als geïsoleerd moment verschijnt, maar een eigen spreiding bezit waarbinnen nabijheid, overgang en samenhang van fasen mogelijk worden. Daardoor verschijnen ruimte en tijd niet als twee gescheiden domeinen, maar als twee verweven wijzen waarop de wereld zich voor een individu ordent.

 

Hier wordt ook de ervaringsonzekerheidsrelatie beslissend. Deze relatie laat zien dat ruimte en tijd elkaar wederzijds begrenzen, maar zij laat nog niet zien hoe dat voor een waarnemer zichtbaar wordt. Als grenswet zegt zij dat ruimtelijke en temporele bepaaldheid elkaar niet onbeperkt gelijktijdig kunnen verscherpen. Die ontbrekende stap ligt in de wijze waarop bewustzijn de wereld in het NU samenneemt. Een object kan alleen als geheel verschijnen wanneer zijn delen binnen éénzelfde NU tegelijk kunnen worden vastgehouden. Een proces kan alleen als duur verschijnen wanneer opeenvolgende fasen binnen datzelfde NU als één voortgang worden ervaren. Het NU is daarom geen punt zonder duur en ook geen universeel wereldmoment, maar een korte orde van aanwezigheid waarin bewustzijn samenhang vasthoudt. Daar ligt de bemiddelende laag tussen ontologische grondstructuur en fysische verschijningsvorm. De ervaringsonzekerheidsrelatie geeft de grenswet van de correlatie tussen ruimte en tijd. De structuur van het NU maakt zichtbaar hoe die correlatie voor een waarnemer wereldverschijnsel wordt.

 

Vanuit dat inzicht wordt ook begrijpelijk waarom de relativistische effecten juist dit karakter hebben. Wanneer relatieve beweging optreedt, verandert niet eerst het object zelf, maar de wijze waarop die orde van aanwezigheid ruimtelijke en temporele samenhang draagt. Daardoor verruimt zich voor de waarnemer het functionele NU waarin de voortgang van het relatief bewegende proces wordt opgenomen. Juist doordat dit NU meer temporele samenhang kan dragen en het niet geïntegreerde residu afneemt, verschijnt dat proces als trager en dat noemen wij tijdrek. Tegelijk kan diezelfde waarnemer van dat relatief bewegende systeem per NU minder ruimtelijke totaliteit als gelijktijdig geheel opnemen. Daarom verschijnt het object in de bewegingsrichting korter en dat noemen wij lengtekrimp. Tijdrek en lengtekrimp zijn dus twee gevolgen van één en dezelfde verandering in de manier waarop het NU zich verruimt, terwijl het niet geïntegreerde temporele residu en de gelijktijdig samenneembare ruimtelijke totaliteit zich herschikken. Aan de temporele zijde verschijnt die herschikking als veranderde voortgang. Aan de ruimtelijke zijde verschijnt zij als veranderde samenname van het object als gelijktijdig geheel. Wat in het ene geval als tragere duur verschijnt, verschijnt in het andere geval als compactere uitgebreidheid. De relativiteit van gelijktijdigheid laat daarbij misschien wel het scherpst zien dat tijd geen absolute achtergrond kan zijn. Gelijktijdigheid ligt immers niet vooraf vast, maar komt perspectivisch tot stand binnen een bepaalde orde van gelijktijdige samenname. Daardoor blijkt ook lengte nooit louter een intrinsieke eigenschap van een object te zijn. Lengte kan alleen verschijnen waar verschillende delen van dat object binnen éénzelfde NU als gelijktijdige uitgebreidheid bijeen worden gehouden. Zodra die gelijktijdige orde verschuift, verschuift ook de wijze waarop ruimtelijke totaliteit verschijnt.

 

Precies daar ligt voor mij de filosofische betekenis van de speciale relativiteit. Zij leert niet alleen dat metingen van tijd en lengte van toestand en beweging afhangen. Zij suggereert dat ruimte en tijd nooit volledig zelfstandig zijn geweest. Zij verschijnen slechts in een structurele samenhang die perspectivisch wordt geconstitueerd. Daarom zie ik de relativiteitstheorie als aanwijzing dat de structuur van de werkelijkheid alleen begrepen kan worden vanuit een dieper verband tussen bewustzijn en wereld. Wat de Lorentztransformaties formeel beschrijven, lees ik als de wiskundige grammatica van een perspectivische herschikking die ontologisch reeds besloten lag in de correlatieve geboorte van ruimte en tijd. De relativiteitstheorie laat dan formeel zien hoe een wereld alleen coherent kan verschijnen wanneer ruimtelijke en temporele bepaaldheid zich onder perspectiefwisseling samen herschikken.

 

Ik beweer daarmee niet dat de natuurkunde eenvoudig uit introspectie kan worden afgeleid. Ik beweer ook niet dat één individueel mens naar believen natuurwetten maakt. Mijn claim is preciezer en radicaler tegelijk. Zonder perspectivische aanschouwing door een individu ontstaan ruimte en tijd niet als actuele wereldorde. Dat betekent dat de fysische wereld zoals zij verschijnt reeds berust op een constitutieve werkzaamheid van bewustzijn. Niet als bijkomstig commentaar op een reeds bestaande werkelijkheid, maar als voorwaarde voor haar actuele wording.

 

Dat maakt ook duidelijk waarom ik de Kopenhaagse interpretatie slechts als een begin zie. Daar wordt zichtbaar dat de waarnemer mogelijk niet simpelweg buiten het fysische gebeuren staat. Maar het debat blijft daar vaak steken bij de vraag wat meting doet, hoe kwantumreductie moet worden begrepen of hoe waarschijnlijkheid tot een feitelijke uitkomst leidt. Mijn vraag ligt fundamenteler. Ik vraag niet alleen hoe fysische verschijnselen verschijnen, maar hoe ruimte en tijd zelf verschijnen. Ik vraag niet alleen hoe een systeem een bepaalde toestand aanneemt, maar hoe een wereld als ruimtelijk en temporeel geordende actualiteit tot stand komt. Juist daar wil ik de rol van bewustzijn ontologisch ernstig nemen.

 

Misschien hebben wij daarom te lang in de verkeerde richting gekeken. Misschien moesten wij niet eerst vragen hoe een subject zich verhoudt tot een reeds bestaande wereld. Misschien moesten wij vragen hoe subject en wereld samen verschijnen in één en dezelfde gebeurtenis van actualisering. Zodra die vraag wordt toegelaten, verandert niet alleen onze filosofie van bewustzijn, maar ook onze lezing van de fysica. Dan kan zelfs de speciale relativiteit worden verstaan als formeel spoor van een dieper principe waarin ruimte en tijd pas ontstaan in perspectivische aanschouwing.

 

Ik vermoed daarom dat ruimte en tijd niet het eerste woord spreken over wat is. Juist daarin blijkt hun afhankelijkheid van actuele verschijning. Daarom wijst ook de speciale relativiteit, net als de kwantumfysica, niet van bewustzijn weg, maar op zijn fundamentele betekenis voor het verschijnen van werkelijkheid.


Door op deze link te klikken kun je mijn poging tot kwantificering lezen.

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe

Ontvang automatisch mijn blogs

© 2020 by Marc Cornelisse. Proudly created with Wix.com

bottom of page