De blinde vlek
Waarom wij denken dat wij zelf beslissen
In ieder menselijk oog bevindt zich een blinde vlek. Op de plaats waar de oogzenuw het netvlies verlaat, bevinden zich geen lichtgevoelige cellen en kunnen wij dus niets waarnemen. Toch verschijnt er geen gat in ons gezichtsveld. Ons brein vult het ontbrekende stukje zo vanzelfsprekend aan dat wij doorgaans niet eens merken dat daar iets ontbreekt. Misschien bezit ook ons bewustzijn zo’n blinde vlek. We ervaren voortdurend gedachten, verlangens, ingevingen en besluiten en beleven die alsof ergens in ons een ik aanwezig is dat mogelijkheden overweegt, daaruit een keuze maakt en vervolgens tot handelen overgaat.
Binnen mijn filosofie onderscheid ik twee vormen van ontvankelijkheid. Via de zintuiglijke ontvankelijkheid staan wij open voor de wereld die zich via lichaam en zintuigen aan ons voordoet. Via de transcendente ontvankelijkheid ontvangen wij potenties die nog niet tot concrete ervaring zijn verwerkt. Beide ontvankelijkheden werken voortdurend op elkaar in. Een potentie die via de transcendente ontvankelijkheid beschikbaar komt, ontmoet daarbij de actuele situatie zoals die zich via onze zintuiglijke ontvankelijkheid aandient, samen met onze lichamelijke toestand, herinneringen, emoties en reeds gevormde patronen. Uit dat samenspel ontstaat uiteindelijk een actualisatie. Een mogelijkheid wordt een gedachte, een neiging krijgt gestalte in een beweging en een potentie krijgt de concrete vorm van een besluit.
Daarmee vormt de blinde vlek op zichzelf geen argument voor het bestaan van de transcendente ontvankelijkheid. Wanneer die ontvankelijkheid niet langs een andere weg aannemelijk kan worden gemaakt, kan de blinde vlek haar bestaan evenmin bewijzen. Zij beschrijft slechts een epistemisch probleem binnen de hier voorgestelde werkelijkheid. Wanneer potenties via de transcendente ontvankelijkheid beschikbaar komen en in wisselwerking met de zintuiglijke ontvankelijkheid worden geactualiseerd, onttrekt juist de overgang zelf zich aan ons bewustzijn. De blinde vlek bewijst dus niet wat er gebeurt, maar probeert te verklaren waarom wij het gebeuren zelf niet volledig kunnen overzien.
Precies in die overgang zou zich de blinde vlek van ons bewustzijn kunnen bevinden. Niet de hele causale samenhang verdwijnt voor ons uit beeld. Er ontbreekt slechts één beslissende schakel in de causale lus, namelijk het moment waarop een potentie overgaat in een actualisatie. Wij kunnen veel herkennen van wat aan een besluit voorafgaat en wij ervaren uiteraard wat eruit voortkomt, maar juist die overgang zelf blijft aan onze ervaring onttrokken. Zoals ons brein in het gezichtsveld moeiteloos aanvult wat wij ter plaatse van de blinde vlek niet kunnen zien, zo vullen wij ook hier moeiteloos aan wat zich aan ons bewustzijn onttrekt. Op de plaats waar de overgang van potentie naar actualisatie voor ons verborgen blijft, plaatsen wij een handelend ik dat een keuze maakt.
Ook de montage in een film kan deze merkwaardige aanvulling van het ontbrekende zichtbaar maken. Tussen twee beelden kan een sprong zitten, terwijl de waargenomen handeling geen discontinuïteit vertoont. Ons bewustzijn verbindt wat het afzonderlijk ontvangt en maakt er vanzelf een samenhangend geheel van. Zo zou het ook kunnen gaan bij de overgang van potentie naar actualisatie. Precies die beslissende schakel blijft buiten beeld, maar in onze ervaring ontstaat geen leegte. Wij vullen de ontbrekende overgang moeiteloos aan met de gedachte dat wij zelf hebben gekozen. Zoals het oog geen gat ziet en de film geen discontinuïteit vertoont, zo merken wij ook in de causale lus niet dat één schakel voor ons verborgen blijft.
Het ego zegt daardoor niet dat er in mij een besluit tot stand is gekomen, maar dat ík dat besluit heb genomen. De ontbrekende schakel wordt ingevuld door de vrije wil. Daarmee wordt de vrije wil bijna een gevolg van epistemische onvolledigheid. Wij ervaren vrijheid omdat wij de totstandkoming van onze eigen besluiten niet geheel kunnen overzien. Niet de hele causale werkelijkheid blijft voor ons verborgen, maar precies dat deel waarin een mogelijkheid werkelijkheid wordt. Juist doordat wij die overgang niet volledig kunnen overzien, kunnen wij haar probleemloos aan onszelf toeschrijven. Dat maakt de mens nog niet tot een willoze automaat. Er vindt juist een buitengewoon complex proces plaats waarin beide ontvankelijkheden, het lichaam, de persoonlijke geschiedenis, de omgeving en reeds gevormde patronen voortdurend op elkaar inwerken. Wanneer uit dat samenspel een potentie wordt geactualiseerd, ontstaat de concrete ervaring en daarmee ook het emergente ik als het ordeningspunt van die ervaring. Dat ik is dus geen illusie en verschijnt evenmin pas achteraf. Het ontstaat waar de ervaring ontstaat en behoort wezenlijk tot die ervaring.
De vergissing ontstaat wanneer wij dat emergente ik verheffen tot een autonoom ik dat de ervaring zelf zou hebben veroorzaakt. Juist daar krijgt de blinde vlek haar betekenis. Omdat de beslissende overgang van potentie naar actualisatie voor ons verborgen blijft, ervaren wij wel het besluit en tegelijkertijd het emergente ik dat bij die ervaring ontstaat, maar zien wij niet hoe beide uit het voorafgaande proces zijn voortgekomen. Het ligt dan bijna voor de hand dat het emergente ik zichzelf als oorsprong van het besluit gaat beschouwen. Waar de causale lus voor ons één onzichtbare schakel bevat, vullen wij die ontbrekende schakel in met onze vrije wil.
Daarmee wordt de vrije wil bijna een gevolg van epistemische onvolledigheid. Wij ervaren vrijheid omdat wij de wording van onze eigen besluiten niet kunnen overzien. De gedachte dat ik dit heb besloten ontstaat niet doordat er geen ik aanwezig is, maar doordat het aanwezige emergente ik zijn eigen positie verkeerd begrijpt. Het ervaart zichzelf terecht als het centrum van de ervaring, maar maakt daaruit ten onrechte op dat het ook de autonome veroorzaker van de ervaring is. Op dat moment verandert het emergente ik in een ego.
Van daaruit kan vervolgens een tweede beweging ontstaan. Het ego eigent zich niet alleen afzonderlijke besluiten toe, maar begint uit die toegeëigende actualisaties een identiteit op te bouwen. Ik deed dit omdat ik zo ben. Ik koos hiervoor omdat ik dit belangrijk vind. Ik heb dit bereikt omdat ik heb doorgezet. Zo ontstaat geleidelijk een verhaal waarin het ik niet langer alleen het ervaringscentrum vormt, maar ook wordt voorgesteld als de zelfstandige auteur van het eigen leven.
Daar ligt misschien ook de oorsprong van onze onechtheid. Zodra wij ons vereenzelvigen met die vermeende auteur, moeten wij het beeld dat wij van hem hebben gevormd tegenover onszelf en anderen in stand houden. Wij willen verstandig, succesvol, zorgzaam, onafhankelijk, spiritueel of principieel zijn en gaan onze ervaringen steeds meer in overeenstemming met dat zelfbeeld interpreteren. De oorspronkelijke toe-eigening van het besluit groeit zo uit tot de toe-eigening van een identiteit.
De blinde vlek krijgt daarmee een veel grotere betekenis dan alleen een verklaring voor onze ervaring van vrije wil. Zoals ons brein in het gezichtsveld aanvult wat het oog niet kan waarnemen, zo vullen wij ook in de causale lus precies die ene ontbrekende schakel in. Daar waar een potentie wordt geactualiseerd, ontstaat de concrete ervaring en ontstaat tegelijkertijd het emergente ik als ordeningspunt van die ervaring. Juist omdat de overgang zelf buiten onze ervaring blijft, kan het emergente ik niet ervaren hoe het samen met die actualisatie tot stand is gekomen. Het ervaart zichzelf daarom wel als degene aan wie de ervaring verschijnt, maar mist het zicht op zijn eigen ontstaan binnen datzelfde proces.
In die onzichtbare overgang ontstaat ruimte voor de beslissende vergissing. Het emergente ik ervaart het besluit als zijn besluit en schrijft vervolgens ook het ontstaan ervan aan zichzelf toe. Daarmee wordt het ervaringscentrum verheven tot een autonoom handelend ik dat de actualisatie zou hebben veroorzaakt. Wat werkelijk samen met de ervaring ontstaat, wordt zo achteraf voorgesteld als datgene wat aan die ervaring voorafging en haar voortbracht. Precies daar verheffen wij het emergente ik tot het ego.
Opmerkingen