top of page

De muze herzien

Wanneer vandaag over creativiteit wordt gesproken, vertrekt men vrijwel vanzelfsprekend vanuit het individu, de kunstenaar. Talent geldt als persoonlijke eigenschap en originaliteit geldt als verdienste. Het kunstwerk verschijnt als product van een maker. Deze manier van denken sluit aan bij een modern mensbeeld waarin autonomie en zelfbeschikking centraal staan. Psychologie en neurowetenschap versterken dit beeld, doordat zij creativiteit verklaren vanuit interne processen en hersendynamiek. Wat ontstaat, wordt toegeschreven aan degene die het maakt.

 

Toch schuurt dit model met wat kunstenaars zelf vaak beschrijven. Op beslissende momenten ervaren zij hun werk niet als iets dat zij maken, maar als iets dat zich aandient. Zij spreken over geraakt worden, over ontvangen en over ingeving. Het werk verschijnt niet als resultaat van controle, maar als gebeurtenis. Hier ontstaat dus een spanning tussen theorie en ervaring. Het model van eigenaarschap sluit niet aan bij hoe inspiratie feitelijk ervaren wordt.

 

Die ervaring is overigens niet nieuw. In de klassieke oudheid werd inspiratie verstaan als ontmoeting met een kracht die de mens overstijgt. De dichter riep de muze aan en plaatste zichzelf niet in het centrum. Hij erkende een bron die aan hem voorafging. Creativiteit gold niet als persoonlijke prestatie, maar als een gave. De mens werd opgevat als open ruimte waarin iets kon binnenkomen. Dat blijkt al uit de opening van de Odyssee, waar Homerus schrijft:


Zing mij, muze, van de man die zo vindingrijk was,

die zeer ver rondzwierf nadat hij Troje had verwoest.

 

Het moderne wereldbeeld heeft deze kosmologie verlaten. De werkelijkheid wordt gedacht als mechanisch en gesloten. Betekenis wordt herleid tot innerlijke processen of culturele constructie. De mens verschijnt daarin als producent van betekenis en creativiteit wordt inventiviteit. Wat ontstaat, wordt toegeschreven aan degene die het maakt. Toch is de ervaring van ontvankelijkheid niet verdwenen. Kunstenaars blijven momenten kennen waarin het ik zijn begrenzing verliest en zich opgenomen weet in een groter geheel. Deze ervaring wordt intens beleefd, maar zij krijgt zelden nog een ontologische plaats. Zij wordt psychologisch geduid of geromantiseerd, maar niet fundamenteel doordacht.

 

Hier ligt een gemiste kans, want wat als deze ervaring geen subjectieve illusie is maar een aanwijzing voor hoe creativiteit werkelijk functioneert, dan vraagt dat om een herziening van ons mensbeeld. Binnen mijn filosofische benadering vertrek ik niet vanuit het individu als oorsprong, maar vanuit ervaring zelf. Ervaring verschijnt altijd al en vormt de voorwaarde waaronder denken, interpretatie en creativiteit mogelijk zijn. Wat voorwaarde is kan geen bijproduct zijn van iets dat zelf alleen binnen ervaring verschijnt. Daarom moet bewustzijn primair worden gedacht. Bewustzijn is geen product van het brein, maar de openheid waarbinnen het brein ordent en begrenst. Het ik verschijnt in dit perspectief niet als eerste oorzaak, maar als lokale ordening binnen een dragende samenhang. Het is geen autonome bron, maar een knooppunt waar ervaring zich bundelt tot perspectief.

 

Wanneer dit vertrekpunt wordt toegepast op de kunstwereld, verschuift het begrip creativiteit fundamenteel. Creativiteit verschijnt dan niet als expressie van een innerlijk zelf. Zij verschijnt als actualisatie binnen een veld van mogelijkheden. Wat zich aandient in taal, muziek of schilderkunst wordt niet geproduceerd door het ik, maar kristalliseert tot vorm binnen een samenhang die het individu draagt. De kunstenaar initieert dit proces niet, maar hij is de plaats waar het zich voltrekt. Dit betekent niet dat het individu overbodig wordt. Het betekent dat zijn rol anders wordt verstaan. De kunstenaar is geen producent, maar regulerend knooppunt. Hij biedt de voorwaarden waaronder actualisatie mogelijk wordt.

 

Creativiteit vraagt om een specifieke verhouding tussen openheid en begrenzing. Te veel openheid leidt tot overvloed zonder vorm. Te veel sluiting leidt tot herhaling van gestolde patronen. Kunst ontstaat waar openheid en begrenzing in beweeglijke samenhang blijven. Binnen mijn model beschrijf ik dit als een regulerende functie die ervaring draaglijk maakt. Wanneer openheid en begrenzing in beweeglijk evenwicht blijven, ontstaat er ruimte waarin resonantie mogelijk wordt zonder dat zij overspoelt. Juist daar kan het kunstwerk verschijnen.

 

Het atelier krijgt in dit licht een andere betekenis. Het atelier is geen fabriek waarin een innerlijke inhoud wordt omgezet in een extern product. Het atelier is een regulatiezone waarin de kunstenaar leert openen en begrenzen zonder te forceren. Techniek krijgt hier een preciezere betekenis. Techniek is niet het afdwingen van vorm, maar het verfijnen van regulatie. Zij maakt actualisatie mogelijk zonder haar te verstikken. Blokkade ontstaat wanneer het veldcontact verloren gaat en herhaling het overneemt. Overproductie ontstaat wanneer begrenzing ontbreekt. In beide gevallen is niet de inhoud het probleem, maar de regulatie.

 

Wanneer het ik niet langer als oorsprong wordt gedacht, verandert ook het begrip originaliteit. Het kunstwerk is geen privébezit van een autonoom subject, maar een gebeurtenis binnen een dragende samenhang. De maker is plaats van verschijning. Dit inzicht verschuift de aandacht van expressie naar resonantie. De vraag luidt niet langer wie dit heeft bedacht, maar of het werk werkelijk raakt. Een kunstwerk is geslaagd wanneer het bij het publiek opnieuw ontvankelijkheid opent. In die zin sluit dit aan bij wat Gadamer een gebeurtenis van waarheid noemde, waarin werk en toeschouwer elkaar wederzijds openen.

 

Ook het idee van genialiteit krijgt een andere betekenis. Wat wij als geniaal ervaren kan worden verstaan als uitzonderlijke verfijning van openheid en begrenzing. Sommige kunstenaars slagen er beter in dan anderen om openheid en begrenzing in evenwicht te houden. Hun werk actualiseert mogelijkheden die anders ongezien blijven.

 

In dit licht kan de muze worden herlezen. Zij hoeft niet terug te keren als mythologische figuur, maar zij kan worden verstaan als naam voor een ervaringsstructuur die wij grotendeels zijn vergeten. De muze benoemt dat scheppen zich voltrekt binnen een samenhang die het individu niet produceert. Zij herinnert eraan dat creativiteit participatie is en geen loutere productie. Wat het meest wezenlijk is in kunst wordt niet gemaakt, maar verschijnt wanneer ontvankelijkheid mogelijk wordt. Misschien was het idee van de muze minder naïef dan wij denken. Misschien hebben wij iets verloren door alles aan onszelf toe te rekenen. Misschien begint scheppen werkelijk waar wij erkennen dat niet alles van ons is.

2 opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
Gast
20 feb
Beoordeeld met 4 uit 5 sterren.

“Wanneer openheid en begrenzing in beweeglijk evenwicht blijven, ontstaat er ruimte waarin resonantie mogelijk wordt zonder dat zij overspoelt. Juist daar kan het kunstwerk verschijnen.“

poetry snaps Marc, heel fijn dit.

Like

Gast
20 feb

Jij geeft woorden aan datgene wat ik altijd heb omschreven als mijn innerlijke noodzaak. Dankjewel Marc

Like

Ontvang automatisch mijn blogs

© 2020 by Marc Cornelisse. Proudly created with Wix.com

bottom of page