top of page

De paradox van het loslaten

De vorige teksten over rouw vertrokken vooral vanuit degene die achterblijft. Daarin ging het om het patroon dat tijdens een gedeeld leven is ontstaan en na de dood blijft doorwerken. De ander antwoordt niet meer, maar het verlangen naar afstemming verdwijnt niet. De behoefte aan wederkerigheid blijft als spoor in het bestaan van de achterblijvende aanwezig. Rouw is dan geen stoornis en ook geen fase die eenvoudig kan worden afgesloten. Zij is het voortwerken van een verwevenheid waarvan het levende antwoord is weggevallen.

 

Maar daarmee is nog niet alles gezegd. Want rouw begint niet altijd pas na iemands dood. Zij kan ook ontstaan terwijl het sterven zich aankondigt, bij degene die weet dat hij of zij zal moeten gaan. Dat is een andere vorm van rouw. De stervende rouwt niet om iemand die al verdwenen is, maar om alles waaraan hij wordt onttrokken. Geliefden, wereld en toekomst zijn er nog, maar zij verschijnen al onder het teken van een naderend afscheid. Het is rouw om een leven dat nog wederkerig is, maar zijn vanzelfsprekendheid al verloren heeft.

 

Dat maakt stervensrouw iets anders dan gewone doodsangst. Doodsangst richt zich vooral op het eigen einde. Stervensrouw richt zich op het leven dat er nog is, maar dat zijn vanzelfsprekendheid al verloren heeft. Alles is nog aanwezig, maar draagt niet langer de belofte van voortgang.

 

Juist hier wordt geworpenheid opnieuw voelbaar. Het leven is nooit iets geweest dat iemand zelf begonnen is. Iemand treft zichzelf aan in een bestaan dat hem voorafgaat, in een lichaam, een tijd en een wereld die hij niet zelf heeft gekozen. Maar bij een naderend einde wordt ook het andere uiterste van die gegevenheid zichtbaar. Wat iemand niet zelf begonnen is, kan hij zich ook niet werkelijk toe-eigenen. Het leven blijkt geen bezit te zijn, maar gegevenheid. Daarom is loslaten eigenlijk een misleidend woord. Het suggereert nog een laatste daad van controle, alsof er een ik is dat het leven bewust uit handen kan geven. Maar juist in het sterven wordt duidelijk hoe absurd deze vermeende controle in feite is. Wat gegeven was, wordt niet losgelaten. Het onttrekt zich aan de greep waarmee het nooit werkelijk vast te houden was.

 

Bij de achterblijvende valt de respons van de ander weg. Bij de stervende ontstaat de omgekeerde pijn. Hij weet dat hij straks zelf zal verdwijnen uit het wederkerige veld van woorden, zorg en aanwezigheid. De stervende rouwt dus niet alleen om wat hij verliest, maar ook om de verbondenheid waarin hij geen antwoord meer zal kunnen geven.

 

Maar dat verdwijnen gaat nog dieper. Bij sterven verdwijnt niet alleen het beeld waarin het ego zichzelf heeft herkend. Het ervaringspunt zelf gaat verdwijnen. Het punt waar de wereld verschijnt en waar het geleefde leven samenkomt, houdt op te bestaan. De stervende verliest dus niet slechts een deel van zijn bestaan, maar het perspectief waarin iets nog als ervaring kan verschijnen. Dat maakt stervensrouw zo radicaal. Niet alleen de wereld wordt achtergelaten, maar ook het centrum van waaruit die wereld voor iemand wereld was. Juist daardoor wordt zichtbaar waarom toe-eigening bij stervensrouw zo zwaar kan wegen. Hoe sterker het leven door het ego is toegeëigend, hoe pijnlijker het wordt wanneer dat leven zich aan de greep onttrekt. Niet omdat het ego slecht is, maar omdat het zich kan vastzetten in bezit, rollen en verhalen over zichzelf. Dan raakt het naderende einde niet alleen aan het leven waaraan iemand wordt onttrokken, maar ook aan de vorm waarin hij zichzelf al die tijd heeft vastgehouden.

 

Daarbij maakt het uit of de dood plotseling komt of zich aankondigt. Bij een plotselinge dood valt het ervaringspunt weg zonder overgang. De stervende krijgt geen tijd om zich tot dat verdwijnen te verhouden. De rouw ligt dan vooral bij de achterblijvende, die ineens met een afstemming blijft zitten waarop geen antwoord meer komt. Bij een naderend einde ontstaat een andere situatie. De stervende leeft nog, maar moet zich al verhouden tot het eigen verdwijnen. De dood is nog niet ingetreden, maar zij begint het actuele leven al te kleuren.

 

Bij een naderend einde wordt de NU-duur breder. Daarmee bedoel ik niet dat iemand meer kloktijd krijgt. De dagen kunnen juist korter, brozer of beperkter worden. Maar de ervaring van tijd verandert. In het gewone leven ordent het bewustzijn zich meestal rond wat zich in het nu aandient. Verleden en toekomst zijn er wel, maar zij blijven meestal op de achtergrond. Bij een naderend einde verschuift dat. Wat geweest is, wat nu afscheid vraagt en wat niet meer zal komen, loopt in elkaar over. Herinnering, angst, dankbaarheid en toekomstverlies verschijnen niet meer netjes na elkaar, maar zijn tegelijk aanwezig. Daardoor verandert ook de ervaring van lokalisatie. Het ik is niet langer alleen de plaats van handelen, kiezen of voortgaan. Het wordt ervaren als een ruimer veld waarin het geleefde leven als geheel begint te resoneren. Maar bij het overlijden valt ook die laatste ordening weg. Er is dan geen hier-en-nu meer waarin de wereld kan verschijnen. De NU-duur verdwijnt, omdat er geen ervaringspunt meer is waarin tijd zich kan openen. En ook het hier verdwijnt, omdat er geen gelokaliseerde plaats meer is waar de wereld aan iemand verschijnt.

 

Bij een naderend einde verandert ook de verhouding tussen lichaam, wereld en betekenis. Daar raakt stervensrouw aan wat ik dubbele ontvankelijkheid noem. De zintuiglijke ontvankelijkheid wordt kwetsbaarder, omdat de toegang tot de wereld minder vanzelfsprekend wordt. Beweging, aanraking en ademhaling kunnen hun gewone vanzelfsprekendheid verliezen. Tegelijk kan de transcendente ontvankelijkheid sterker worden. Het gaat om een grotere gevoeligheid voor betekenis, richting en kloppendheid. Wat eerder op de achtergrond bleef, kan zich nu sterker aandienen. De vraag wat een leven heeft gedragen, waar liefde werkelijk lag en wat onaf bleef, komt als ervaringsmatige spanning binnen. Juist daarom vraagt sterven om regulering. Soms moet er ruimte zijn voor wat zich aandient. Soms sluit de ontvankelijkheid zich juist gedeeltelijk af, omdat de ervaring anders te veel tegelijk binnenlaat. Dat is geen ontkenning van wat er gebeurt, maar een beschermende beweging van binnenuit. Zo wordt begrensd wat anders te overweldigend zou worden.

 

Waar het ervaringspunt in de dood wegvalt, kan ik de dode misschien de onttrokkene noemen. Bij geboorte verschijnt de mens als geworpene. Hij treft zichzelf aan in een bestaan dat hem voorafgaat en dat hij niet zelf gekozen heeft. Bij de dood wordt hij aan datzelfde aardse veld onttrokken. Niet verheven boven de wereld, niet opgenomen in een persoonlijke voortzetting, maar werkelijk verdwenen als lichamelijk en antwoordend ervaringspunt. De onttrokkene verdwijnt van de aarde, maar niet zonder spoor. Wat blijft, is de verwevenheid die in anderen blijft doorwerken zonder nog wederkerig te kunnen zijn.

 

Bij een naderend einde wordt zichtbaar welke patronen nog kunnen meebewegen en welke gestold zijn geraakt. Wat ooit hielp om het leven draaglijk te maken, kan nu in de weg gaan staan wanneer het bestaan zich onttrekt aan de greep waarmee iemand het heeft willen vasthouden. Controle en zichzelf bewijzen kunnen ooit zinvolle antwoorden zijn geweest op een bepaalde situatie. Maar wanneer zij losraken van het actuele veld, worden zij gestolde patronen. Dan reageert iemand niet meer op wat zich in het nu aandient, maar op wat het leven eerder van hem heeft gevraagd.

 

Daarom is sterven geen laatste project dat iemand nog goed moet uitvoeren. Zodra het sterven een prestatie wordt, neemt het ego opnieuw de leiding. Dan moet iemand waardig sterven, rustig sterven, bewust sterven of loslaten zoals het hoort. Maar ook dat blijft een vorm van beheersing. Misschien verschijnt sterven juist daar waar beheersing haar laatste aanspraak verliest. Wat overblijft is responsiviteit. Niet alles dragen, niet alles begrijpen en niet alles afronden, maar aanwezig zijn bij wat zich aandient zolang aanwezigheid nog mogelijk is.

 

Rouw blijkt dus aan twee kanten van het afscheid te staan. Zij treft degene die achterblijft, maar ook degene die zal moeten gaan. In beide gevallen gaat het om verwevenheid waarvan de wederkerigheid ten einde raakt. De achterblijvende rouwt om het antwoord dat wegvalt. De stervende rouwt om het antwoord dat hij zelf niet meer zal kunnen geven.

 

Misschien ligt daar de paradox van het loslaten. Het woord suggereert een laatste daad van beheersing, terwijl rouw en sterven juist onthullen dat het leven nooit een bezit was. Zoals wij buiten ons toedoen in het leven zijn geworpen, zo worden wij na een geleefd leven ook weer aan dat leven onttrokken. Wij laten het leven niet los als bezit, maar worden onttrokken aan wat ons nooit toebehoorde en ons toch heeft gevormd.

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe

Ontvang automatisch mijn blogs

© 2020 by Marc Cornelisse. Proudly created with Wix.com

bottom of page