top of page

De paradox van vrijheid

25 okt
6 minuten om te lezen

Wanneer bevordert het opeisen van identiteit de vrijheid en

wanneer begint het diezelfde vrijheid te beperken?

 

Twee perspectieven op vrijheid

Onlangs raakte ik met mijn dochter in een indringende discussie over de LHBTQI+ beweging. Zij verdedigde hartstochtelijk het recht van ieder mens om gewoon te kunnen leven, liefhebben en zichzelf te zijn. Waarom zou iemand worden afgekeurd om zijn liefde? Waarom moeten mensen bang zijn voor de blik, de mening of zelfs de vuist van een ander? Volgens haar vragen deze mensen niet om een voorkeursbehandeling, maar gewoon om acceptatie. Ze willen niet buitengesloten of gediscrimineerd worden, maar zonder angst kunnen leven. Niemand zou eerst onzichtbaar hoeven worden om respect te verdienen. Leven en laten leven, zoals zij het verwoordde.

 

Haar meest indringende vraag was waarom de zichtbaarheid van een minderheid als probleem wordt gezien, terwijl juist de maatschappelijke afwijzing die zichtbaarheid noodzakelijk maakt. Ik kon haar daarin moeilijk ongelijk geven. Toch bleef bij mij een filosofisch ongemak bestaan, niet vanwege de seksuele oriëntatie van mensen, maar vanwege de nadrukkelijke betekenis die identiteit en het verlangen naar erkenning in onze samenleving hebben gekregen. Vanuit mijn veldfilosofie beschouw ik de mens namelijk niet primair als een identiteit, maar als een ervaringspunt. Identiteit ontstaat binnen de ervaring en mag niet worden verward met het menselijk bestaan zelf.

 

Gaandeweg ontdekten we dat onze discussie draaide om twee verschillende vrijheidsbegrippen. Mijn dochter verdedigde de maatschappelijke vrijheid om zonder uitsluiting te kunnen zijn wie je bent, terwijl ik de ervaringsvrijheid benadrukte waarin het zelfbeeld recht blijft doen aan de voortdurende dynamiek van de ervaring. Beide vrijheden lijken elkaar aan te vullen, maar kunnen door het verlangen naar erkenning ook op gespannen voet met elkaar komen te staan.

 

Maatschappelijke vrijheid en erkenning

Maatschappelijke vrijheid veronderstelt dat ieder mens zijn leven kan vormgeven zonder dat anderen hem vanwege zijn identiteit of seksuele oriëntatie belemmeren. Zij berust op gelijke rechten, veiligheid en erkenning van menselijke waardigheid. Emancipatiebewegingen vervullen hierin een wezenlijke functie, omdat zij uitsluiting zichtbaar maken en maatschappelijke patronen bestrijden die individuele vrijheid beperken. Mijn dochter benadrukt terecht dat zichtbaarheid daarbij noodzakelijk kan zijn. Pride, vlaggen en voorlichting zijn vanuit haar perspectief geen pogingen om anderen iets op te dringen, maar middelen om de vanzelfsprekendheid van gelijke rechten te bevorderen. Er wordt niet gevraagd dat iedereen alles begrijpt of mooi vindt, maar dat mensen elkaar de vrijheid gunnen om te leven en lief te hebben.

 

Toch vraagt het begrip erkenning om een nadere beschouwing. Francis Fukuyama beschrijft in zijn boek Identiteit hoe het verlangen naar erkenning een fundamentele rol speelt in de menselijke samenleving. Hij maakt onderscheid tussen het verlangen als gelijkwaardig erkend te worden, dat hij isothymia noemt, en het verlangen naar erkenning als superieur, dat hij megalothymia noemt. Daarnaast laat hij zien hoe identiteitspolitiek zich kan ontwikkelen van een strijd om universele gelijkwaardigheid naar een nadrukkelijke behoefte aan erkenning van afzonderlijke groepsidentiteiten. Daarmee verschuift de aandacht van wat mensen gemeenschappelijk hebben naar datgene waarin zij zich van anderen onderscheiden.

 

Dat brengt mij bij een wezenlijk onderscheid tussen de erkenning van iemands menselijke waardigheid, die vanzelfsprekend behoort te zijn, en de bevestiging van diens identiteit, die kan uitgroeien tot een voortdurende behoefte aan bevestiging door anderen. Wanneer emancipatie niet alleen gelijke rechten nastreeft, maar ook nadrukkelijker om erkenning van afzonderlijke groepsidentiteiten vraagt, hoeft dat de vrijheid niet te beperken. Het probleem ontstaat wanneer die erkenning overgaat in een voortdurende behoefte aan bevestiging door anderen. Dan dreigt het zelfbeeld afhankelijk te worden van die bevestiging en kunnen nieuwe verwachtingen en groepsnormen ontstaan. De vraag is dan niet langer uitsluitend of iemand vrij mag zijn om zichzelf te zijn, maar ook in hoeverre de samenleving geacht wordt diens zelfbeeld te onderschrijven.

 

Ervaringsvrijheid en identiteit

Vanuit mijn veldfilosofie begint het menselijk bestaan niet bij een vaststaande identiteit, maar bij ontvankelijkheid. De mens is primair een ervaringspunt waarin mogelijkheden uit een groter veld tot persoonlijke ervaring worden gebracht. Door afstemming ontstaan betrekkelijk stabiele patronen van beleving waarin lichamelijke, psychologische en sociale omstandigheden samenkomen. Wat wij identiteit noemen, is de samenhang die zich binnen deze voortdurende ervaringsdynamiek heeft gevormd en zich daarin blijft ontwikkelen.

 

Identiteit biedt continuïteit en maakt zelfbegrip mogelijk, maar kan ook verstarren. Wanneer iemand zich steeds nadrukkelijker vereenzelvigt met een bepaalde voorstelling van zichzelf, kan een dynamisch ervaringspatroon veranderen in een gestold patroon. Nieuwe ervaringen worden dan voortdurend getoetst aan het bestaande zelfbeeld. Wat iemand over zichzelf denkt te weten, gaat bepalen wat hij nog kan ervaren. Ervaringsvrijheid wordt juist vergroot wanneer die gestolde patronen hun vanzelfsprekende heerschappij verliezen. Dit geldt voor iedere identiteit, ongeacht of die voortkomt uit seksuele oriëntatie, religie, politieke overtuiging of maatschappelijke positie. Het probleem ligt niet in de identiteit zelf, maar in de mate waarin identificatie de ontvankelijkheid beperkt.

 

Ook de geschiedenis van de verzuiling laat zien hoe sterk mensen zich met collectieve identiteiten kunnen vereenzelvigen. Gedurende een groot deel van de twintigste eeuw werd de maatschappelijke positie van mensen in belangrijke mate bepaald door de religieuze of levensbeschouwelijke zuil waartoe zij behoorden. Na de ontzuiling ontstond meer ruimte voor individuele zelfexpressie, maar tegelijkertijd groeiden nieuwe vormen van groepsvorming rondom gedeelde overtuigingen en persoonlijke kenmerken. Blijkbaar blijft de behoefte om ergens bij te horen een belangrijke menselijke drijfveer. Vanuit mijn filosofie ontstaat echter een probleem wanneer die verbondenheid gepaard gaat met de verwachting dat anderen het gezamenlijke zelfbeeld voortdurend moeten bevestigen. De behoefte aan erkenning kan dan omslaan in een afhankelijkheid die de oorspronkelijke ervaringsvrijheid juist beperkt.

 

De paradox van erkenning

Hier ontmoeten beide vrijheidsbegrippen elkaar. Mijn dochter wijst erop dat maatschappelijke afwijzing mensen juist dwingt zich nadrukkelijker met hun identiteit bezig te houden. Wie voortdurend vanwege zijn seksuele oriëntatie wordt beoordeeld, krijgt nauwelijks gelegenheid die oriëntatie als vanzelfsprekend onderdeel van zijn bestaan te leven. De afwijzing roept een behoefte aan erkenning op, die zich vervolgens kan vertalen in grotere zichtbaarheid en sterkere identificatie. Die nadrukkelijke aanwezigheid kan bij een deel van de samenleving opnieuw weerstand oproepen, al kan die weerstand evengoed voortkomen uit bestaande vooroordelen en maatschappelijke opvattingen. Zo kan een zichzelf versterkende wisselwerking ontstaan waarin afwijzing en erkenningsbehoefte elkaar blijven voeden. Wat bedoeld was om maatschappelijke vrijheid te vergroten, kan daardoor onbedoeld bijdragen aan een sterkere identificatie die de ervaringsvrijheid juist beperkt.

 

Vanuit mijn gradiëntmodel herken ik hierin een spanning die niet tot vereffening komt. Zowel degenen die erkenning verlangen als degenen die zich daartegen verzetten, kunnen gevangen raken in gestolde voorstellingen van zichzelf en de ander. De eerste groep kan zich steeds sterker vereenzelvigen met een identiteit die bescherming behoeft, terwijl de tweede groep zich vastklampt aan vertrouwde maatschappelijke normen. Hun wederzijdse ontvankelijkheid neemt af en de open ontmoeting maakt plaats voor het verdedigen van bestaande overtuigingen. Dat betekent overigens niet dat hun posities moreel gelijkwaardig zijn. Het opeisen van gelijke rechten verschilt wezenlijk van het ontzeggen daarvan.

 

Tegelijkertijd kan maatschappelijke erkenning de ervaringsvrijheid juist vergroten. Wanneer discriminatie en de angst voor afwijzing afnemen, verdwijnt mogelijk ook de noodzaak om de eigen identiteit voortdurend te verdedigen. De behoefte aan erkenning verliest dan haar dwingende karakter en er ontstaat meer ruimte voor onbelemmerde ervaring. Omgekeerd kan ervaringsvrijheid maatschappelijke acceptatie bevorderen, omdat mensen die zich minder vastklampen aan hun zelfbeeld ook ontvankelijker kunnen worden voor andere manieren van leven. De paradox schuilt dus niet in het verlangen naar erkenning zelf, maar in de afhankelijkheid ervan. Waar erkenning van menselijke waardigheid vrijheid mogelijk maakt, kan de voortdurende behoefte aan bevestiging van het eigen zelfbeeld juist nieuwe gestolde patronen voortbrengen.

 

Slotbeschouwing

Misschien ligt een mogelijke uitweg in wat ik binnen mijn veldfilosofie responsiviteit noem. Daarmee bedoel ik het vermogen om vanuit ontvankelijkheid antwoord te geven op wat zich aandient, zonder dat gestolde zelfbeelden of maatschappelijke normen dat antwoord bij voorbaat bepalen. Responsiviteit vraagt om een open ontmoeting waarin mensen elkaar niet reduceren tot vooraf vastgestelde identiteiten. Daarbij blijft de erkenning van menselijke waardigheid onvoorwaardelijk, terwijl de bevestiging van iemands zelfbeeld geen vanzelfsprekende verplichting voor de ander wordt.

 

Onze discussie heeft mijn oorspronkelijke kritiek op de nadrukkelijke profilering van identiteit zowel verdiept als gerelativeerd. Je kunt mensen moeilijk verwijten dat zij hun identiteit benadrukken wanneer anderen hen juist vanwege die identiteit afwijzen. Problematisch wordt het pas wanneer de behoefte aan erkenning omslaat in een afhankelijkheid van voortdurende bevestiging, waardoor het zelfbeeld steeds meer bepalend wordt voor wat iemand nog kan ervaren. Tegelijkertijd blijft mijn filosofische vraag overeind. Hoe doorbreken we deze wisselwerking zonder dat mensen hun identiteit moeten verloochenen of voortdurend bevestigd moeten krijgen?

 

Misschien begint het antwoord bij de erkenning dat geen mens volledig samenvalt met de identiteit waarmee hij zichzelf of een ander beschrijft. Maatschappelijke vrijheid vraagt om een samenleving waarin ieder mens zijn identiteit zonder uitsluiting of discriminatie kan beleven. Ervaringsvrijheid vraagt daarentegen om een innerlijke openheid waarin het zelfbeeld niet verstart, maar recht blijft doen aan de voortdurende ervaringsdynamiek waaraan het zijn bestaan ontleent.

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe

Ontvang automatisch mijn blogs

© 2020 by Marc Cornelisse. Proudly created with Wix.com

bottom of page