top of page

De vergeten ontvankelijkheid

Met vergeten bedoel ik niet dat de mens ooit over een uitgewerkte theorie van deze vorm van ontvankelijkheid beschikte en haar daarna verloor. Ik bedoel dat hij zichzelf lange tijd ook heeft ervaren als ontvankelijk voor gedachten, geweten, inspiratie en inzicht. Die konden zich aandienen zonder dat hij ze bewust voortbracht. In het moderne mensbeeld zijn zulke ervaringen steeds vaker verklaard als eigen productie van het individu of als resultaat van hersenprocessen. De vergeten ontvankelijkheid zelf verdween natuurlijk niet, maar wel het besef dat zij een eigen grond heeft en mede bijdraagt aan de ervaring.

 

Wanneer wij over de mens nadenken, beginnen wij meestal bij het lichaam, het brein, het gedrag en de psychische processen. Daardoor weten we steeds beter wat er gebeurt wanneer iemand kijkt, luistert, pijn voelt of een besluit neemt. Toch blijven twee vragen open. Waarom verschijnen deze processen als een ervaring vanuit een eerste persoon? En hoe ontstaat binnen die ervaring een ik-perspectief?

 

Een hersenscan kan laten zien welke gebieden actief zijn wanneer iemand rood ziet. Ook weten we hoe kegeltjes licht opvangen en omzetten in neurale signalen. Daarmee kunnen we het lichamelijke proces van kleurwaarneming nauwkeurig beschrijven. Rood bestaat buiten ons niet als ervaren kleur. Buiten ons bevinden zich lichtbronnen en oppervlakken die elektromagnetische straling met bepaalde golflengten uitzenden of weerkaatsen. Rood is de wijze waarop een deel van die straling binnen onze ervaring als kleur verschijnt. De werking van het oog en het brein verklaart hoe het signaal wordt verwerkt, maar nog niet waarom die verwerking als rood wordt ervaren. Er bestaat dus een verschil tussen een proces en de ervaring ervan. Dat verschil raakt de kern van het bewustzijn. Zelfs een volledige beschrijving van alle hersenprocessen blijft een beschrijving van buitenaf. Zij wordt nooit vanzelf de ervaring van binnenuit.

 

Betekenis vormt zelf geen zintuiglijke prikkel. Eerlijkheid, schoonheid en de ervaring dat iets klopt, worden niet als afzonderlijke fysieke gegevens ontvangen. Toch ervaren wij deze kwaliteiten werkelijk. Wanneer de zintuigen alleen fysieke prikkels ontvangen, waar komt deze betekenisvolle kant van de ervaring dan vandaan? Het gebruikelijke antwoord luidt dat het brein betekenis construeert door prikkels te selecteren, te combineren en met herinneringen te verbinden. Daarmee wordt beschreven hoe betekenis wordt geordend, maar nog niet waar haar kwalitatieve inhoud vandaan komt.

 

Dat vraagt om een ander mensbeeld. De mens vormt geen autonome oorsprong van zijn denken en handelen, maar de plaats waarin mogelijkheden kunnen worden ervaren als betekenis, inzicht, waarde, richting, gedachte of impuls. Voor dit vermogen gebruik ik het begrip transcendente ontvankelijkheid. Met transcendent bedoel ik niet bovennatuurlijk. Bij de waarneming valt het betekenisvolle weliswaar samen met de zintuiglijke prikkels, maar het is niet van dezelfde aard. Een gezicht bestaat uit kleuren, vormen en bewegingen, maar kan onmiddellijk als vriendelijk of vijandig worden ervaren.

 

Op grond van dit onderscheid spreek ik van twee vormen van ontvankelijkheid. Via de zintuiglijke ontvankelijkheid ontvangt de mens wat lichamelijk waarneembaar is. Via de transcendente ontvankelijkheid komen betekenis, waarde, richting, samenhang, gedachten en ingevingen tot actualiteit. Bij de waarneming komen beide vormen samen en vormen zij één ervaring waarin het zintuiglijke en het betekenisvolle al met elkaar verbonden zijn. Via de transcendente ontvankelijkheid kunnen ook zonder directe zintuiglijke aanleiding gedachten, inzichten en ingevingen tot actualiteit komen.

 

Het brein blijft daarbij onmisbaar. Hersenletsel, verdoving, medicatie, slaap en psychische ontregeling veranderen wat iemand kan ervaren en hoe de ervaring persoonlijk wordt geordend. Daaruit blijkt dat bewustzijn en ervaring afhankelijk zijn van het brein. Uit die afhankelijkheid volgt echter nog niet dat het brein beide volledig voortbrengt. Het brein maakt persoonlijke ervaring mogelijk, begrenst wat toegankelijk wordt en geeft daaraan een individuele vorm, zonder daarmee de uiteindelijke grond van bewustzijn en ervaring te verklaren.

 

Binnen mijn hypothese vindt in de hersenen een selectie en ordening plaats van wat via de zintuiglijke en transcendente ontvankelijkheid toegankelijk wordt. Door de samenkomst van beide vormen van ontvankelijkheid en hun neurologische begrenzing wordt het ik opgewekt als persoonlijk ervaringspunt vanuit dit lichaam, op deze plaats en op dit moment. Het gaat niet aan de ervaring vooraf, maar treft aan wat daarin actueel is. Gedachten, oplossingen en bezwaren kunnen zich aandienen zonder dat het ik weet hoe zij zijn ontstaan. Het ik neemt waar, denkt, voelt en herkent, maar vormt niet de autonome oorsprong van wat het ervaart.

 

Rond dit ervaringspunt ontstaan vervolgens constructielagen van herinneringen, verwachtingen, overtuigingen, rollen en verhalen. Zij geven de ervaring samenhang en herkenbaarheid, maar kunnen zich ook vastzetten. Wanneer het ik zich met deze lagen vereenzelvigt en ze als een vaste identiteit beschouwt, ontstaat het ego als een gestolde zelfconstructie. Het ik blijft het levende en veranderlijke ervaringspunt, terwijl het ego dit ervaringspunt vastlegt, verklaart en probeert te beheersen. Vanuit deze zelfconstructie wordt toegeëigend wat zich binnen de ontvankelijkheid heeft aangediend. Een gedachte wordt dan mijn gedachte, een inzicht mijn prestatie en een richting mijn keuze.

 

Daarmee krijgt de redenering een bredere toepassing. Menselijke ervaring omvat meer dan wat via actuele zintuiglijke prikkels wordt ontvangen. Binnen de transcendente ontvankelijkheid komen betekenis, waarde, richting, samenhang, gedachten, intuïties en gewetensimpulsen tot actualiteit. Ook kunnen daarin duurzamere vermogens, gevoeligheden en oriëntaties een persoonlijke vorm aannemen, zoals muzikaliteit, temperament, seksuele oriëntatie en genderidentiteit. Deze eigenschappen worden niet als zintuiglijke gegevens ontvangen en worden evenmin bewust door het ik voortgebracht. Juist omdat zij zich als duurzame persoonlijke gerichtheden aandienen, vormen zij een aanvullende aanwijzing voor een ontvankelijkheid die niet tot de zintuigen beperkt blijft.

 

Daarna rijst een tweede vraag. Waar ligt de oorsprong van beide vormen van ontvankelijkheid en van wat daarin persoonlijk tot actualiteit komt? Wanneer ervaring werkelijk bestaat, kan zij niet volledig vreemd zijn aan de grond van de werkelijkheid. Een werkelijkheid die iedere mogelijkheid tot ervaring ontbeert, kan immers geen ervarend bewustzijn voortbrengen. Daarom ligt het voor de hand dat bewustzijn niet pas aan het einde van de ontwikkeling ontstaat, maar als mogelijkheid al in de werkelijkheid besloten ligt. Voor deze fundamentele grond gebruik ik het begrip universeel bewustzijn. Daarmee bedoel ik geen groot menselijk bewustzijn dat ergens buiten ons denkt, maar de grond waaruit alles voortkomt en waarin alles bestaat. Ook de wereld om ons heen en ons lichaam maken daar deel van uit. Zowel de zintuiglijke als de transcendente ontvankelijkheid hebben hun oorsprong in deze grond. Door de persoonlijke samenkomst van beide vormen van ontvankelijkheid en hun neurologische begrenzing krijgt het bewuste eerste persoonsperspectief vorm als een individueel ik.

 

Premisse 1

Wat uit de grond van de werkelijkheid voortkomt, moet daarin als mogelijkheid besloten liggen.

 

Premisse 2

Een bewust eerste persoonsperspectief komt uit de grond van de werkelijkheid voort.

 

Premisse 3

Een grond waarin de mogelijkheid van een bewust eerste persoonsperspectief besloten ligt, bezit een bewustzijnskwaliteit.

 

Conclusie

Daarom bezit de grond van de werkelijkheid een bewustzijnskwaliteit.

 

Deze gedachte vormt geen wetenschappelijk bewezen feit, maar een ontologische hypothese. Haar kracht ligt in de vragen waarop zij antwoord probeert te geven. Waarom bestaat er niet alleen informatieverwerking, maar ook een ervaren binnenzijde? Waarom verschijnt de wereld vanuit een ik-perspectief en onmiddellijk als betekenisvol? En waarom treft het ik daarin gedachten, waarden, vermogens en mogelijkheden aan die het niet bewust heeft voortgebracht?

 

Misschien hebben wij de mens te lang uitsluitend als maker van zijn ervaring beschouwd. De transcendente ontvankelijkheid zelf is nooit verdwenen. Verdwenen is vooral het besef dat gedachten, waarden, inzichten en mogelijkheden zich aandienen vanuit een grond die het ik niet zelf voortbrengt. De mens begint daarom niet bij beheersing, maar bij ontvankelijkheid.


Omdat een computersysteem beide vormen van ontvankelijkheid ontbeert,

kan AI geen ervarend bewustzijn ontwikkelen.

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe

Ontvang automatisch mijn blogs

© 2020 by Marc Cornelisse. Proudly created with Wix.com

bottom of page