De wereld der dingen
- Marc Cornelisse
- 1 mrt
- 4 minuten om te lezen
Wij nemen de wereld der dingen doorgaans als vanzelfsprekend aan. Bergen blijven bestaan, oceanen bewegen in herkenbare patronen, sterren 'branden' gedurende immense tijdsperioden en moleculen vormen stabiele structuren. De wereld toont zich als een geheel van vormen die zich duurzaam organiseren en niet onmiddellijk uiteen vallen. Wij vragen zelden hoe het mogelijk is dat zulke duurzame vormen bestaan in een werkelijkheid die fysisch grotendeels leeg en fluctuerend is. Toch vormt juist dat bestaan het diepste raadsel. Hoe kan een zee van ogenschijnlijke leegte stabiele vormen dragen? Hoe kan iets blijven bestaan wanneer zijn grond geen massieve substantie bevat? Deze dingen bestaan niet doordat wij ze hebben gemaakt. Zij zijn niet artificieel en zij bestaan onafhankelijk van onze waarneming.
De moderne natuurkunde onthult echter dat deze wereld geen massieve ondergrond bezit. Atomen bestaan grotendeels uit ‘lege’ ruimte. Een uiterst kleine kern bevindt zich in een uitgestrekte ruimte waarin elektronen geen vaste banen volgen, maar zich tonen als waarschijnlijkheidsstructuren binnen een veld. Zelfs binnen de kern wisselen elementaire deeltjes voortdurend van configuratie. Wat wij als vaste materie ervaren, blijkt bij nadere analyse een dynamische ordening binnen een zee van ogenschijnlijke leegte.
Gedachte-experiment
Stel dat je een glas neemt met honderd milliliter water. Dat water bestaat uit moleculen, moleculen bestaan uit atomen en atomen bestaan vrijwel geheel uit ruimte. Alleen in het centrum van elk atoom bevindt zich een uiterst kleine kern van protonen en neutronen. De elektronen bepalen wel de grootte van het atoom, maar zij vormen geen compacte materie. Zij verschijnen als een uitgespreid veld van waarschijnlijkheid.
De kern is ongeveer honderdduizend keer kleiner in straal dan het atoom zelf. In volume betekent dit dat vrijwel het gehele glas uit leegte bestaat. Wanneer men alle lege ruimte zou verwijderen en alleen het kernvolume zou overhouden, dan zou de honderd milliliter water krimpen tot een minuscuul deeltje kleiner dan een bacterie.
Wat wij als vaste materie ervaren, blijkt dus fysisch bijna volledig uit ogenschijnlijke leegte te bestaan.
Deze leegte is echter geen nietsheid. Leegte betekent dat er geen compacte substantie aanwezig is. Toch blijkt juist die leegte beslissend voor het bestaan der dingen. De ruimte binnen een atoom maakt stabiele afstanden mogelijk tussen kern en elektronen. De ruimte tussen atomen maakt moleculaire bindingen mogelijk. Zonder die ruimte zou er geen verhouding zijn en zonder verhouding zou er geen structuur zijn ontstaan. Wanneer die leegte louter afwezigheid zou zijn, dan zou zij geen stabiele verhoudingen kunnen dragen. Deeltjes zouden ofwel samenvallen tot een ongedifferentieerde massa, ofwel uiteenvallen in willekeurige spreiding. In beide gevallen zou er geen herkenbare wereld van dingen ontstaan. Het feit dat atomen stabiel blijven, dat moleculen consistente patronen aannemen en dat materie zich organiseert tot sterren, planeten en kristallen, wijst erop dat de leegte zelf geen niets is, maar een dragende veldruimte.
Men kan verwijzen naar natuurwetten om dit te beschrijven. Men kan spreken over zwaartekracht, elektromagnetische interacties en kernkrachten. Die beschrijvingen verklaren hoe structuren zich gedragen wanneer zij eenmaal bestaan. Zij verklaren echter niet waarom zulke krachten zelf als stabiele en mathematisch coherente structuren bestaan. Zij verklaren niet waarom fluctuaties überhaupt tot stabiele oplossingsvormen leiden. Een wet beschrijft regelmaat, maar zij fundeert haar niet.
Indien de grond van de werkelijkheid puur chaotisch zou zijn, dan zou energie zich zonder patroon verspreiden. Er zouden geen duurzame configuraties ontstaan. Het bestaan van geordende structuren impliceert daarom dat fluctuaties plaatsvinden binnen een intrinsiek coherente samenhang. Maar coherentie alleen is onvoldoende. Een volkomen homogene samenhang zonder interne differentiatiemogelijkheid zou wel stabiel kunnen zijn, maar zij zou geen concrete vormen kunnen voortbrengen. Dat er specifieke structuren ontstaan, betekent dat de grond niet alleen samenhang bezit, maar ook differentieerbaar is. Wat verschijnt, moet als mogelijkheid reeds in de grond besloten liggen. Wat verschijnt, moet reeds in de grond besloten liggen als structurele openheid tot vorming. Wat geen plaats heeft in die openheid kan niet ontstaan. Toeval kan deze openheid niet funderen, want toeval veronderstelt reeds een differentieerbare speelruimte. Die speelruimte moet ontologisch voorafgaan aan elke concrete actualisatie.
De grond van de werkelijkheid moet dus niet alleen coherent zijn, maar ook potentieel. Zij moet de principiële articulatieruimte in zich dragen van waaruit concrete structuren kunnen actualiseren. Zonder die potentie zou geen ster zich kunnen vormen, geen molecuul zich kunnen stabiliseren en geen kristal een rooster kunnen aannemen. Dat dergelijke vormen bestaan, toont dat de veldgrond niet vormloos is in de zin van leegte, maar vormloos in de zin van onuitgewerkte openheid tot differentiatie. Deze immanente, coherente en potentieel dragende grond is het universele bewustzijn. Het wordt begrepen als de meest fundamentele vorm van samenhang waarin differentiatie kan plaatsvinden en waarin de volledige articulatieruimte besloten ligt. Het universele bewustzijn is zelf geen object tussen andere objecten. Het is de veldmatige grond waarin objecten kunnen ontstaan en zich kunnen handhaven.
Niet artificiële dingen ontstaan niet doordat zij worden gemaakt, maar doordat het veld waarin zij verschijnen de structuur bevat waarbinnen vormen zich kunnen actualiseren. Energie die binnen zo’n veld beweegt, kan slechts die configuraties aannemen die in de aard van dat veld besloten liggen. Vormen verschijnen daarom niet willekeurig, maar als concrete articulaties van een reeds aanwezige openheid tot differentiatie. De ogenschijnlijke leegte binnen atomen en moleculen is in dit perspectief geen afgrond, maar de ruimte waarin deze ordenende openheid werkzaam is. Zij voorkomt dat alles tot een ongedifferentieerde massa vervalt en maakt tegelijk specifieke vorming mogelijk, zodat materie zich niet verspreidt zonder patroon, maar zich organiseert tot duurzame structuren zoals sterren, moleculen en kristallen.
Het bestaan van de wereld der dingen vormt daarom geen triviaal gegeven. Dat er stabiele vormen bestaan in een werkelijkheid die fysisch geen massieve substantie kent, betekent dat leegte geen niets is, maar een dragende en potentieel rijke veldgrond. Deze grond kan niet uit toevallige interacties zijn voortgekomen, want toeval veronderstelt reeds een speelruimte van mogelijkheden. Zij moet de voorwaarde zijn waaronder interacties plaatsvinden en vormen zich kunnen actualiseren. Dat sterren zich vormen, moleculen zich stabiliseren en rotsen hun vorm behouden, toont dat de ogenschijnlijke leegte een veld van coherentie en potentie is waarin duurzame articulatie mogelijk wordt.
Opmerkingen