top of page

Duiding van de ziel

Het begrip ziel vormt een van de meest omstreden begrippen binnen de filosofie. Veel tradities gebruiken de term om een bijzondere binnenruimte van de mens te beschrijven. Die binnenruimte laat zich voelen als een vorm van diepte die niet volledig door het persoonlijke ik wordt geproduceerd. Tegelijkertijd roept het begrip weerstand op wanneer men de ziel opvat als een afzonderlijke entiteit die ergens in de mens zou wonen. Dit roept een probleem op. De ervaring bestaat en blijft herkenbaar, maar de gangbare ontologie kan haar niet goed plaatsen. De vraag ontstaat hoe men de ervaring van ziel kan duiden zonder een zelfstandige substantie te veronderstellen. De vraag raakt daarom aan de aard van bewustzijn, aan de wijze waarop tijd in ervaring verschijnt en aan de voorwaarden waaronder een betekenisdragende diepte voelbaar wordt.

Ā 

Binnen de fenomenologische traditie hebben verschillende denkers laten zien dat het bewustzijn nooit verschijnt als een leeg punt in de tijd. Edmund Husserl beschrijft de tijdsstructuur van de ervaring als een samenhang waarin het directe verleden als spoor aanwezig blijft en waarin een subtiele gerichtheid op wat komt al voelbaar is. Deze samenhang duidt hij met de termen retentie en protentie. De ervaring van een nu moment ontstaat volgens hem in een kleine draagwijdte waarin beide bewegingen samen een levende diepte van het heden vormen. Maurice Merleau Ponty versterkt dit inzicht door te laten zien dat elke ervaring een belichaamde diepte bezit. Hij beschrijft het bewustzijn als een veld van verschijnen en niet als een verzameling afzonderlijke momenten. In deze lijn verschijnt de ziel als de intensiteit waarmee de beleving zichzelf draagt. De ziel vormt geen entiteit, maar een fenomenale kwaliteit van een bewustzijn dat meer draagt dan één enkele reductie.


Binnen de traditie van de innerlijke tijd heeft Henri BergsonĀ laten zien dat de levende tijd een andere structuur bezit dan de kloktijd. De levende tijd vormt een duur waarin de momenten elkaar doordringen en waarin de ervaring een continuĆÆteit bezit die niet kan worden teruggebracht tot een reeks losse en gescheiden tijdpunten. In deze duur vloeien verleden en toekomst in elkaar over binnen het heden. Augustinus beschrijft iets soortgelijks wanneer hij stelt dat de mens verleden en toekomst in het heden ervaart via herinnering en verwachting. De ziel verschijnt in deze traditie als de binnenruimte waarin deze drie temporele modaliteiten elkaar raken. De ziel vormt dan de gevoelsmatige diepte van een kwalitatieve tijdservaring.

Ā 

Binnen spirituele en existentiële filosofieën verschijnt de ziel als de plaats waar het persoonlijke bewustzijn verbonden raakt met een grotere orde. Meister Eckhart beschrijft de grond van de ziel als een stille openheid waarin het ik zijn centrum verliest en waarin een dragende aanwezigheid voelbaar wordt die niet door de mens zelf wordt voortgebracht. Paul Tillich spreekt over de diepte van de geest wanneer hij de ziel beschrijft. Zenboeddhisten benadrukken de mogelijkheid van een open bewustzijn dat geen centraal ik nodig heeft om zichzelf te dragen. In al deze tradities vormt de ziel geen afzonderlijke entiteit, maar een bijzondere kwaliteit van een bewustzijn dat zijn vernauwing heeft losgelaten.

Ā 

Naast deze fenomenologische benaderingen verdient ook de aard van ervaring zelf aandacht. Ervaring ontstaat nergens als een louter zintuiglijk gegeven en evenmin als een zuiver innerlijke activiteit. Ervaring ontstaat op de plaats waar de transcendente ontvankelijkheid en de zintuiglijke ontvankelijkheid elkaar raken. De transcendente ontvankelijkheid verwijst naar de openheid voor het veld dat niet door de persoon wordt geproduceerd. De zintuiglijke ontvankelijkheid verwijst naar de wijze waarop de wereld van verschijningen zich aandient. Het denken bemiddelt deze ontvankelijkheden en draagt eveneens een transcendente oorsprong. De eerste gebeurtenis in deze bemiddeling bestaat uit resonantie. Deze resonantie vormt de oorspronkelijke afstemming waarin veld en wereld elkaar ontmoeten. De interpretatie vormt de tweede gebeurtenis en geeft nuance aan wat de resonantie aanreikt. Deze interpretatie vult aan maar vervangt de resonantie niet. De ziel ervaart deze resonantie als diepte, omdat zij een dimensie toont die noch uit de zintuigen noch uit de innerlijke activiteit voortkomt. De ziel verschijnt in deze resonantie zodra het denken de verbinding draagt tussen veld en wereld.

Ā 

Binnen een veldmodel van bewustzijn kan men deze ervaringen op een systematische manier begrijpen. In dit model verschijnt bewustzijn nooit als een volledig gelokaliseerd punt. Bewustzijn verschijnt altijd binnen een kleine breedte van aanwezigheid. Die breedte vormt de duur. De duur van ƩƩn minimale tijdscomponent hangt samen met de maximale lokalisatie van het bewustzijn. Wanneer het bewustzijn zich maximaal centreert, moet het volgens de ervaringsonzekerheidsrelatie een minimale temporele spreiding dragen. Die spreiding vormt de kleinste tijdseenheid waarin een reductie tot ervaring kan plaatsvinden. Deze eenheid verschijnt niet als kloktijd, maar als de meest compacte duur waarin het bewustzijn een gebeurtenis nog als coherente ervaring kan ontvangen. De maximale lokalisatie van het bewustzijn correspondeert daarom met de minimale duur die het bewustzijn niet verder kan verkleinen. Deze minimale duur vormt de elementaire structuur waaruit elke bredere duur wordt opgebouwd.

Ā 

De relatie tussen ruimtelijke lokalisatie en temporele spreiding speelt binnen dit model een centrale rol. Deze relatie wordt uitgedrukt in de ervaringsonzekerheidsrelatie die in symbolische vorm zegt dat Δx maal Δt groter of gelijk is aan Λ gedeeld door twee. Deze relatie maakt duidelijk dat een bewustzijn dat zichzelf sterk centreert binnen een plaats een grote minimale temporele onbepaaldheid moet dragen om die lokalisatie te behouden. Een sterk gecentreerd ik ervaart daarom een puntige tijdsstructuur die juist gepaard gaat met maximale onzekerheid in de tijd. De minimale tijdscomponent waarin een reductie kan plaatsvinden vormt het sequentiële nu moment. Dit sequentiële moment vormt de kleinste coherente eenheid van verschijnen. Wanneer het bewustzijn ontspant en de lokalisatie van het ik verliest, blijft deze minimale tijdscomponent bestaan maar ontstaat een grotere feitelijke duur waarin meerdere sequentiële momenten tegelijk kunnen worden gedragen. De duur wordt dan groter dan de minimale coherentie waarin een ervaring nog kan verschijnen. Deze verruiming blijft een ononderbroken samenhang en vormt geen optelling van losse momenten. De duur rekt zich uit als een continue band waarin als het ware meerdere sequentiële momenten samen aanwezig kunnen zijn. Deze verruiming vormt de NU-rek. De NU-rek zorgt ervoor dat het bewustzijn een bredere aanwezigheid draagt zonder de continuïteit van de ervaring te verliezen. De ervaring krijgt daardoor een diepte die het ik niet produceert. Het veld waarvan het bewustzijn deel uitmaakt wordt dan voelbaar als dragende binnenruimte. De corridor tussen het persoonlijke nu en het veld van het eeuwige nu wordt ruimer. Het bewustzijn ontvangt dan een kwaliteit die niet uit de persoon voortkomt en die toch intiem blijft. Deze kwaliteit vormt de ervaring die veel mensen de ziel noemen.

Ā 

De ziel vormt binnen deze benadering geen entiteit en geen object. De ziel vormt de wijze waarop het bewustzijn zijn eigen veldmatige diepte ervaart binnen een verruimde duur. De ziel verschijnt zodra het bewustzijn meer draagt dan de nauwe corridor van het gecentreerde ik. De ziel verschijnt zodra de veldcoherentie voelbaar wordt in de ruimte waarin meerdere sequentiƫle momenten samen aanwezig blijven. De ziel verwijst dan naar de binnenruimte van een bewustzijn dat zichzelf niet meer als afzonderlijk middelpunt draagt maar als open veld binnen de tijd.

Ā 

Deze duiding blijft niet beperkt tot het beschrijven van een ervaring. Zij verwijst tegelijk naar de ontologische structuur waarin deze ervaring mogelijk wordt. De verruimde duur waarin de ziel verschijnt wordt gedragen door het veld en ontstaat niet binnen het persoonlijke centrum. De zielservaring vormt daarom zowel een fenomenale verschijning als een aanwijzing voor de wijze waarop bewustzijn ontologisch in het veld is ingebed. Wat verschijnt als innerlijke diepte verwijst naar een draagstructuur die niet door de persoon wordt voortgebracht maar die tot de werkelijkheid zelf behoort.

Ā 

Dit model verklaart waarom veel tradities de ziel verbinden met diepte, openheid en verbondenheid. Het bewustzijn ervaart deze kwaliteiten zodra de duur groter wordt dan het bereik van het persoonlijke centrum. De ziel vormt daarom geen mystiek restbegrip, maar een fenomenale aanduiding van een bewustzijn dat zichzelf ervaart binnen een verruimde duur waarin veld en persoon elkaar raken. Hiermee ontstaat een ontologisch en fenomenologisch consistente duiding van de zielservaring.

Recente blogposts

Alles weergeven

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
Blijf op de hoogte! Ontvang telkens het nieuwste blog direct in je mailbox.

Bedankt voor het abonneren!

© 2020 by Marc Cornelisse. Proudly created with Wix.com

bottom of page