top of page

Er is ervaring

6 sep
6 minuten om te lezen

In mijn eerdere blog Wie is ik? onderzocht ik hoe het ik niet aan de ervaring voorafgaat, maar binnen die ervaring ontstaat. Het ik verscheen daar als een emergente ordening en niet als de oorsprong van denken, voelen en handelen.

 

Maar als het ik pas binnen ervaring ontstaat, kunnen we niet blijven spreken alsof datzelfde ik vervolgens eigenaar, drager of veroorzaker van die ervaring is. Dan moeten we niet alleen ons beeld van het ik herzien, maar ook onze taal, ons begrip van handelen en zelfs de grammatica waarmee wij onszelf dagelijks beschrijven. De vraag luidt daarom niet langer alleen ‘Wie is ik?’. De radicalere vraag luidt wat er overblijft wanneer ervaring werkelijk vóór het ik komt.

 

Ik is ervaring

Wij spreken alsof er eerst een ik bestaat. Dat ik kijkt naar de wereld, hoort geluiden, voelt emoties, vormt gedachten, neemt besluiten en geeft betekenis aan wat het meemaakt. We zeggen daarom zonder aarzeling dat ik een boom zie, dat ik verdriet voel, dat ik iets begrijp en dat ik een gedachte heb. Maar misschien ligt juist daarin een fundamentele vergissing. Misschien is er niet eerst een ik dat vervolgens ervaart.

 

Misschien heeft ervaring het primaat.

 

Twee vormen van ontvankelijkheid

Iedere ervaring ontstaat uit twee vormen van ontvankelijkheid. De eerste noem ik zintuiglijke ontvankelijkheid, of ZO. Via onze ogen, oren en andere zintuigen verschijnt de wereld als kleur, klank, geur, aanraking, beweging en vorm. Tegelijk verschijnen via het lichaam signalen als pijn, spanning, honger, hartslag en ademhaling. ZO omvat dus niet alleen wat van buiten komt, maar ook wat zich vanuit het lichaam aandient.

 

Maar daarmee is ervaring nog niet volledig beschreven. Wanneer ik een gezicht zie, ontvang ik immers niet alleen kleuren en lijnen. Ik zie iemand die ik ken. Ik herken vermoeidheid. Ik begrijp een blik. Misschien voel ik onmiddellijk dat er iets niet klopt. Die betekenis komt niet uit mijn zintuigen. Er werkt dus nog een tweede vorm van ontvankelijkheid. Die noem ik transcendente ontvankelijkheid, of TO.

 

Met transcendent bedoel ik hier niets bovennatuurlijks. TO werkt juist voortdurend in het alledaagse leven. Wanneer we begrijpen, verbanden zien, redeneren, betekenis ervaren of ineens beseffen wat iets inhoudt, verschijnt er iets wat niet uit de zintuiglijke ontvankelijkheid zelf voortkomt.

 

Wij ervaren daarom ook nooit eerst een kale wereld waaraan later betekenis wordt toegevoegd. Wij zien geen verzameling kleuren die daarna een boom vormt. Wij zien een boom. Wij horen geen reeks trillingen die daarna een stem wordt. Wij horen iemand iets zeggen. Betekenis komt niet achteraf bij de waarneming. Zij verschijnt er meteen in mee. ZO en TO werken daarom niet na elkaar. Ze versmelten.

 

Uit die versmelting van ZO en TO ontstaat ervaring.

 

Ervaring heeft geen eigenaar nodig

Daarmee ontstaat een veel groter probleem. Wie ontvangt eigenlijk die ervaring? Onze taal geeft daar onmiddellijk een antwoord op.

Ik

 

Maar daarmee hebben we misschien al te veel gezegd. Want waar vinden we dat ‘ik’ buiten de ervaring?

Nergens

 

Alles wat wij over het ik weten, verschijnt zelf alweer in ervaring. Het gevoel dat ik hier zit, verschijnt in ervaring. Het besef dat dit mijn lichaam is, verschijnt in ervaring. Mijn naam verschijnt als gedachte of herinnering. Mijn geschiedenis verschijnt in ervaring. Zelfs de gedachte dat ik degene ben die ervaart, verschijnt in ervaring. Het ik staat dus niet buiten de ervaring en kijkt ernaar. Het verschijnt erin.

 

De ik-ervaring

Ervaring vormt zich vanuit een bepaald perspectief. Er verschijnt een wereld vanuit hier. Er verschijnt een lichaam. Er ontstaat continuïteit. Herinneringen verbinden verschillende momenten. Verwachtingen openen een toekomst. Gedachten sluiten op elkaar aan. Binnen die voortdurende ordening verschijnt ook een bijzondere ervaring.

 

Er verschijnt een ik-ervaring.

 

Binnen ervaring ontstaat het gevoel van één centrum waarin alles samenkomt. Daarmee verschijnen ook het gevoel dat ik zie, ik denk, ik voel en ik handel. Maar dat ik heeft de ervaring niet voortgebracht. Het is erin ontstaan. De ervaring krijgt gestalte als een ik-ervaring.

 

Waarom toe eigenen niet klopt

Ik heb zelf lange tijd het woord toe-eigenen gebruikt om te beschrijven wat het ‘ik’ doet. Maar hoe langer ik hierover nadenk, hoe problematischer dat woord wordt. Wie eigent zich namelijk iets toe? Toe-eigenen veronderstelt al een eigenaar. Er moet dan eerst iemand bestaan die iets tot het zijne maakt. Daarmee smokkelen we precies het ik naar binnen dat we juist proberen te verklaren.

 

Het ik kan zich de ervaring niet toe-eigenen

wanneer dat ik zelf binnen die ervaring ontstaat.

 

We moeten het proces dus anders begrijpen. Binnen ervaring ontstaat het karakter van mijnheid. Dán pas verschijnt het ik-perspectief. Niet doordat een ik zich de ervaring toe-eigent, maar doordat binnen ervaring de overtuiging ontstaat dat er een zelfstandig ik bestaat dat aan die ervaring voorafgaat en haar bezit, bestuurt en veroorzaakt.

 

Descartes begon te laat

Descartes zocht naar iets waaraan hij onmogelijk kon twijfelen. Hij kwam uit bij zijn beroemde uitspraak:

Cogito, ergo sum.

Ik denk, dus ik ben.

 

Maar denken vormt al een ervaring. Voordat ik kan vaststellen dat ik denk, is het denken al verschenen. Ervaring heeft dus het primaat. We zouden daarom kunnen zeggen:

 

Ik ervaar, dus ik ben.

 

Maar zelfs die formulering gaat nog niet ver genoeg. Ook daarin staat nog een ik dat iets doet. Het werkwoord ervaren krijgt opnieuw een onderwerp. Daarmee blijft het ik grammaticaal voor de ervaring staan. Maar juist dat wil ik ter discussie stellen.

 

Er is ervaring.

 

Binnen die ervaring verschijnt de ik-ervaring. Daarom kom ik uiteindelijk bij een grammaticaal vreemde zin uit.

Ik is ervaring.

 

Waarom niet ik ben ervaring? Omdat ook daarin het ik nog vooropstaat. Eerst verschijnt grammaticaal het ik en vervolgens vertellen we wat dat ik is. Maar als ervaring het primaat heeft en het ik daarbinnen verschijnt, draait ook die formulering de werkelijke verhouding weer om.

 

Ik is ervaring klinkt daarom grammaticaal fout. Die ontsporing vormt geen stijlmiddel. Zij legt bloot dat onze grammatica het primaat van het subject al heeft ingebouwd. Zodra we dat primaat werkelijk loslaten, begint ook onze taal te wringen.

 

Onze taal verraadt ons mensbeeld

Wij zeggen voortdurend dat ik denk, jij denkt en hij denkt. Onze grammatica plaatst daarmee steeds een subject voorop en verbindt daaraan wat er gebeurt. Maar wanneer denken binnen ervaring verschijnt, draait die grammaticale vorm de verhouding om.

 

Denken gebeurt.

Begrip ontstaat.

Verdriet verschijnt.

Handelen vormt zich.

Een boom verschijnt.

 

Onze taal maakt van zulke gebeurtenissen bijna automatisch handelingen van een subject.

Daarmee leert de grammatica ons vanaf onze jeugd een bepaald mensbeeld. Er bestaat iemand die voelt, ziet, denkt en handelt. Die iemand bezit bovendien zijn lichaam, zijn gedachten, zijn gevoelens en zijn ervaringen.

 

Ook het bezittelijk voornaamwoord versterkt dat mensbeeld. We spreken over mijn ervaring, mijn gedachte, mijn verdriet en mijn lichaam. Maar wie bezit hier eigenlijk wat? Wanneer het ik zelf binnen ervaring verschijnt, kan mijn ervaring onmogelijk letterlijk betekenen dat een reeds bestaand ik eigenaar van die ervaring is.

 

Het woord mijn krijgt dan een andere betekenis. Het wijst niet op bezit, maar op lokalisatie en perspectief. Mijn verdriet betekent dat verdriet hier verschijnt. Mijn gedachte betekent dat deze gedachte binnen dit perspectief verschijnt. Mijn lichaam verwijst naar het lichaam van waaruit deze ervaring zich lokaliseert.

 

Mijn duidt dan geen bezit aan.

Mijn duidt een perspectief aan.

 

We hoeven onze gewone taal niet onmiddellijk af te schaffen. Maar we kunnen wel gaan merken wat zij voortdurend suggereert. Misschien verandert ons spreken vanzelf wanneer ons mensbeeld verandert.

 

Wij hebben geen ervaring

De meest ingrijpende omkering blijft heel eenvoudig. Wij hebben geen ervaring.

 

Er is ervaring.

 

Die ervaring ontstaat uit de versmelting van zintuiglijke en transcendente ontvankelijkheid. Binnen die ervaring verschijnen wereld, lichaam, betekenis, gedachten, gevoelens en handelen. Binnen diezelfde ervaring verschijnt ook de ik-ervaring. Dat ik staat niet aan het begin. Het verschijnt binnen een proces dat al gaande is.

 

Wij zijn daarom geen wezens die ervaring hebben. Ervaring is wat wij zijn. Wanneer ervaring zich vanuit één perspectief ordent, verschijnt de ik-ervaring.

 

Ik ben.

 

Misschien moeten we daarom na eeuwen van Descartes nog één stap verder gaan. Niet ‘ik denk, dus ik ben’. Niet eens ‘ik ervaar, dus ik ben’. Maar:

 

Er is ervaring.

En daarin verschijnt ik.

Ik is ervaring.

 

Daarmee verandert ook onze verhouding tot handelen. Niet verantwoordelijkheid, maar responsiviteit komt centraal te staan. Binnen ervaring ontstaat voortdurend een antwoord op wat zich aandient, op de situatie, op de ander en op de gevolgen van eerder handelen. Ook dat antwoord behoort tot het proces van ervaring zelf. Daar ligt geen schuld, maar antwoord.


Je hoeft het leven niet voortdurend te dragen alsof jij degene bent die het maakt.

Het leven verschijnt, en jij verschijnt daarin mee.

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe

Ontvang automatisch mijn blogs

© 2020 by Marc Cornelisse. Proudly created with Wix.com

bottom of page