Het alledaagse hernomen
- Marc Cornelisse
- 13 jun
- 6 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 14 jun
Een nieuw mensbeeld krijgt pas werkelijk betekenis wanneer het doorwerkt in het gewone leven. Niet alleen in begrippen als bewustzijn, vrije wil en ego, maar in de manier waarop gewone handelingen anders worden verstaan. Wakker worden, koffiezetten en iemand aankijken, zijn dan niet langer vanzelfsprekende momenten in een vertrouwde dag. Ook luisteren, werken, ergernis en stilte krijgen een andere lading. Een filosofie die het alledaagse niet raakt, blijft een beschouwing naast het leven. Zij kan mens-zijn verhelderen, maar verandert nog niet de manier waarop het mens-zijn in de concrete werkelijkheid wordt ervaren.
Daarom probeer ik in dit blog het alledaagse te schetsen vanuit mijn filosofie. Niet door meteen een conclusie te trekken, maar door nauwkeurig te kijken hoe ervaring zich vormt voordat het ik haar als eigen bezit, keuze of oordeel naar zich toe trekt. Wat gebeurt er dan met een gedachte die opkomt, een stemming die zich meldt, een reactie die zich vormt of een ontmoeting die je raakt?
In het vorige blog 'Het project mens (deel 2)' eindigde ik met twee vragen die het mensbeeld uit zijn abstractie haalden. De eerste vraag onderzocht of wat in jou gebeurt werkelijk bij een autonoom ik begint, of dat je antwoord geeft op wat zich voltrekt. De tweede vraag onderzocht hoe iets wat verschijnt tot jouw persoonlijke ervaring wordt. Zodra je die vragen betrekt op het gewone verloop van de dag, verschuift het perspectief. Een gedachte komt op voordat je haar kiest. Een stemming meldt zich vaak voordat je haar begrijpt. Je lichaam spant zich voordat je er woorden voor hebt. Een reactie vormt zich soms sneller dan je bewuste besluit. Wat in jou gebeurt, blijkt dus niet zomaar door jou te zijn gemaakt. Het verschijnt binnen een samenhang die al werkzaam is voordat jij jezelf als oorsprong herkent. Dat wordt nergens zo zichtbaar als in het denken.
Het denken gebeurt. Het beweegt, versnelt of stokt, en soms dringt het zich op. Dat maakt denken niet minder belangrijk, maar het krijgt wel een andere plaats. Denken kan verhelderen en onderscheiden, maar het kan ook vernauwen. Wanneer je elke gedachte onmiddellijk als je eigen innerlijke stem beschouwt, raak je gemakkelijk gevangen in controle. Wanneer je ziet dat denken zich voltrekt, ontstaat er ruimte. Je hoeft niet alles wat je denkt meteen te geloven, te verdedigen of te corrigeren.
Ook vrije wil verandert dan van betekenis. Je ervaart nog steeds dat je kiest. Je zegt iets of je houdt je in. Je beweegt mee of je stelt een grens. Maar wat als keuze wordt ervaren, ontstaat niet uit het niets. Zij vormt zich vanuit het lichaam dat je bent, de geschiedenis die in je doorwerkt en de situatie waarin je je bevindt. Pas daarna verschijnt gemakkelijk de gedachte dat jij dit hebt gekozen. Je eigent je toe wat zich in feite gewoon voltrekt.
Daarom heb ik verantwoordelijkheid in mijn vocabulaire geschrapt ten gunste van responsiviteit. Verantwoordelijkheid suggereert te vaak dat het individu oorsprong, eigenaar en rechter van zijn handelen is. Responsiviteit wijst op iets anders. Zij benoemt niet het bezit van een handeling, maar de wijze waarop binnen een situatie antwoord ontstaat. Dat antwoord kan ruimer of nauwer worden, afhankelijk van de mate waarin afstemming mogelijk blijft. Toch blijft het altijd ingebed in het veld waarvan je onderdeel bent. Niet jij produceert het antwoord vanuit een absoluut beginpunt. Het vormt zich in jou, vanuit het veld waarvan je onderdeel bent.
Een gesprek is nooit alleen taal. In wat gezegd wordt, klinkt ook een toon mee. Een kamer is nooit alleen ruimte, omdat zij onmiddellijk als sfeer wordt ervaren. Een opmerking is nooit alleen informatie, omdat zij iets in jou kan openen of sluiten. Hier wordt zichtbaar wat ik dubbele ontvankelijkheid noem. De wereld meldt zich lichamelijk en betekenismatig tegelijk.
Daardoor wordt wat verschijnt niet alleen waargenomen, maar ook persoonlijk. Spanning wordt spanning die jou raakt. Een opmerking wordt iets wat jou betreft. Daarin vormt zich het ik-perspectief. Dat perspectief is nodig, omdat ervaring anders geen persoonlijke oriëntatie krijgt. Maar rond dat perspectief groeit ook een verhaal. Je hebt een naam, een geschiedenis en een beeld van jezelf. Misschien wil je redelijk blijven of niet opnieuw gekwetst worden. Die laag helpt om herkenbaar te zijn voor jezelf en voor anderen. Maar zij kan zich ook vastzetten. Dan gaat het niet meer alleen om wat er gebeurt, maar om wat deze situatie over jou lijkt te zeggen. Precies daar begint het ego.
Het ego is niet hetzelfde als het ik-perspectief en ook niet eenvoudig hetzelfde als het zelf. Het ontstaat wanneer het verhaal rond jou zich vastzet en zichzelf gaat verdedigen alsof het jouw kern is. Dan wordt een gedachte iets wat beschermd moet worden. Dan wordt gelijk krijgen een bewijs van waarde. Dan wordt kritiek niet alleen een opmerking, maar een bedreiging. Het ego annexeert ervaring. Wat eerst levende ervaring was, wordt bezit, bewijs of gevaar.
Ook de innerlijke stem moet daarom voorzichtiger worden verstaan. Die stem wordt vaak ervaren als iets eigens. Maar zij kan bestaan uit verschillende lagen. Soms klinken daarin oude oordelen, angst voor afwijzing, schaamte of controledrang mee. Tegelijk kunnen intuïtie en geweten zich melden als gevoeligheid voor betekenis en afstemming. Dan gaat het niet om een gedachte die je zelf hebt bedacht, maar om een richting die zich aftekent voordat je haar volledig kunt uitleggen. Daarom hoeft het geweten niet te verdwijnen. Het kan anders worden begrepen. Niet als innerlijke rechtbank, maar als verfijnde gevoeligheid voor verstoring van afstemming. Ook intuïtie is dan geen willekeurige inval, maar een manier waarop betekenis zich meldt voordat zij helemaal helder is. Beide vragen niet om onmiddellijke gehoorzaamheid, maar om vertraging. Soms voel je dat een situatie niet klopt voordat je haar goed kunt plaatsen. Dan ontstaat een uitnodiging om opnieuw te luisteren. Juist tegenover die vertraging wordt controle zichtbaar.
Het ego wil vasthouden wat zich eigenlijk niet laat bezitten. In het gewone leven ontstaat ordening vanzelf. Afspraken krijgen vorm en grenzen worden herkenbaar. Het leven ordent zich terwijl het zich voltrekt. Controle wordt problematisch wanneer zij de grondhouding van het bestaan wordt. Dan verschijnt onzekerheid niet langer als deel van het leven, maar als iets wat overwonnen moet worden. Het ego probeert grip te krijgen op gedachten, gevoelens, relaties, toekomst en verleden. Het wil heersen over processen die niet uit het ego voortkomen. Juist daarom raakt het verstrikt in wat het probeert te beheersen.
Dat wordt zichtbaar zodra toekomst en verleden zich in het huidige moment melden. De toekomst is er nog niet, maar de verbeelding ervan kan al spanning oproepen. Het verleden is voorbij, maar kan nu opnieuw schaamte of gemis dragen. Het ego maakt daar gemakkelijk een zelfverhaal van. De verbeelding wordt dan iets wat beheerst, hersteld of voorkomen had moeten worden. Zo wordt ervaring zwaarder dan zij werkelijk is. Daarom krijgt het actuele NU hier zijn beslissende plaats. Het NU is geen leeg punt en ook geen oppervlakkige aansporing om in het moment te leven. Het is de levende duur waarin lichaam, betekenis en aandacht samenkomen. Alleen daar wordt ervaring werkelijk gedragen. Toekomst en verleden kunnen in dat NU verschijnen als verbeelding, maar zij zijn niet zelf aanwezig. Wanneer dat onderscheid voelbaar wordt, verliest het zelfverhaal iets van zijn greep.
Het alledaagse wordt daarmee een onderzoeksruimte. Niet omdat je jezelf voortdurend moet analyseren of verbeteren, maar omdat je nauwkeuriger kunt waarnemen wat zich voltrekt. Wanneer boosheid opkomt, kun je zien dat zij al begonnen is voordat je haar bezit. Wanneer schaamte zich meldt, kun je zien hoe zij verschijnt voordat je er een zelfoordeel van maakt. Wanneer de behoefte aan controle sterker wordt, kun je onderzoeken welke angst daaraan ten grondslag ligt. En wanneer de innerlijke stem hard wordt, kun je luisteren of hier geweten spreekt, of dat het ego zijn beeld van zichzelf probeert te redden.
Ook luisteren verandert daardoor. Vaak luister je niet alleen om te verstaan, maar ook om te antwoorden, te beoordelen of jezelf te handhaven. Dat is herkenbaar, omdat een gesprek zelden alleen uit woorden bestaat. Er klinkt een toon mee, er is aarzeling, er ontstaat spanning of juist ruimte. Wanneer je de ander veldmatig probeert te verstaan, wordt luisteren een vorm van ontvankelijkheid. Je probeert eerst te horen wat zich aandient voordat je reageert. Dat betekent niet dat je alles goedkeurt. Het betekent wel dat je het moment vóór de toe-eigening serieuzer neemt.
Ook handelen verandert. Je blijft doen wat het leven vraagt. Je handelt en spreekt waar dat nodig wordt. Maar onder dat handelen verandert de grondtoon. De vraag verschuift van wat er gedaan moet worden naar wat de situatie vraagt. Dat maakt handelen niet passief. Het kan juist preciezer worden. Vanuit die verschuiving verandert ook de blik waarmee wij onszelf en elkaar beoordelen. Wij zijn allemaal geworpenen. Niemand begint los van lichaam, geschiedenis en situatie. Gedrag komt niet uit een absoluut beginpunt, maar uit het geheel waarin iemand al betrokken is.
Misschien verandert dit mensbeeld dus niet allereerst wat wij doen. Het gewone leven gaat door. Er wordt gekookt, gewerkt, gezorgd en gesproken. Maar de wijze van aanwezigheid verandert. Controle hoeft minder krampachtig te worden vastgehouden. Responsiviteit krijgt meer ruimte. Het oordeel vertraagt en luisteren wordt nauwkeuriger. Misschien begint een ander mensbeeld precies daar. Niet bij grote gebaren, maar bij de kleine dingen waarin het leven zich toch al voltrekt.
Opmerkingen