top of page

Het ik als regenboog

Wanneer wij nadenken over ons bewustzijn, lijkt het bijna vanzelfsprekend om te beginnen bij het ik. Wij spreken meestal alsof er eerst een ik is en alsof dat ik daarna pas ervaringen heeft. Ik zie iets, ik voel iets, ik denk iets, ik wil iets. Die manier van spreken is begrijpelijk, maar zij suggereert ook meteen dat er diep in ons een vast centrum aanwezig zou zijn dat al onze ervaringen draagt en ordent. Toch volgt dat niet noodzakelijk uit wat wij werkelijk meemaken. Dat ervaring zich voordoet vanuit een bepaald perspectief bewijst nog niet dat er een zelfstandig ik aan het stuur zit. Zou het niet ook zo kunnen zijn dat het ik pas zichtbaar wordt binnen de ervaring zelf en daar niet aan voorafgaat?

 

Niet wie er ervaart staat dan centraal, maar hoe ervaring zó wordt georganiseerd dat zij persoonlijk wordt. Persoonlijk bewustzijn ontstaat niet door losse indrukken, maar pas wanneer verschillende vormen van ontvankelijkheid samen een geleefde eenheid vormen. Zintuiglijke ontvankelijkheid geeft vorm, plaats, lichaam en concreetheid aan de ervaring. Transcendente ontvankelijkheid opent dezelfde ervaring voor richting, betekenis, waarde en kloppendheid. Dankzij de eerste verschijnt de wereld als iets wat zich voordoet. Dankzij de tweede verschijnt zij als iets wat ertoe doet. Geen van beide polen volstaat op zichzelf, want zonder zintuiglijke ontvankelijkheid zou ervaring geen duidelijk profiel krijgen, terwijl zij zonder transcendente ontvankelijkheid wel zou plaatsvinden, maar innerlijk leeg zou blijven.

 

Juist hier helpt de analogie met het holografisch principe. In een hologram ontstaat het beeld niet uit één enkele lichtbundel, maar uit de interferentie tussen twee bundels. Geen van beide bevat op zichzelf al het zichtbare resultaat. Pas in hun samenhang verschijnt een patroon dat werkelijk zichtbaar wordt. Zo kun je ook het persoonlijke bewustzijn begrijpen. Het ontstaat niet uit een vooraf bestaand innerlijk centrum, maar uit de interferentie tussen zintuiglijke en transcendente ontvankelijkheid. Uit die interferentie ontstaat een concreet ervaringspatroon waarin zich een gelokaliseerd perspectief aftekent. Dat perspectief vormt een eerste aanzet tot persoonlijk bewustzijn, maar het volstaat nog niet. Een ervaring kan immers samenhang en perspectief vertonen zonder dat zij ons al werkelijk van binnenuit aangaat. Denk bijvoorbeeld aan autorijden op een vertrouwde route terwijl je gedachten elders zijn.

 

De beslissende stap volgt pas wanneer ervaring intern aanspreekbaar wordt. Wat betekent dat eigenlijk? Het betekent dat iets niet meer onverschillig blijft. Een ervaring kan dan kloppen of wringen, openen of vernauwen, bevestigen of ontregelen. Er komt iets op het spel te staan. Precies daar verschijnt het persoonlijke, omdat ervaring niet langer alleen plaatsvindt, maar ons ook werkelijk aangaat. Op dat punt treedt het emergente ik naar voren. Daarmee bedoel ik dat het ik niet al vanaf het begin als innerlijke bestuurder aanwezig was, maar binnen de ervaring zelf opkomt. Het is de vorm die zich aftekent waar ervaring een samenhangend perspectief krijgt en tegelijk existentieel betekenisvol wordt. De illusie schuilt dan ook niet in het ik zelf, maar in de gedachte dat het ik de oorspronkelijke drager en oorzaak van de ervaring zou zijn. In dat opzicht lijkt het op een regenboog. Een regenboog is niet onwerkelijk, maar hij bestaat ook niet als zelfstandig object dat los van de omstandigheden ergens klaarstaat. Zo is ook het ik reëel, maar het komt op uit de ervaring die zich tot persoonlijke eenheid heeft gevormd.

 

Dat inzicht verandert meer dan alleen een theorie over bewustzijn. Het verandert ook de manier waarop wij onszelf verstaan. Wanneer het ik niet de soevereine oorsprong van ervaring is, wordt het moeilijker om ons leven te benaderen alsof alles uiteindelijk maakbaar, beheersbaar en verdedigbaar moet zijn. Dan verschijnt persoonlijk bestaan niet in de eerste plaats als zelfhandhaving, maar als aanspreekbaarheid. Wij blijken geen gesloten centrum te zijn, maar een wijze van bestaan die geraakt, georiënteerd en gecorrigeerd kan worden. Alleen wat ons werkelijk aangaat, kan ons leven verdiepen.

 

Daarmee verandert ook onze kijk op de wereld. De wereld verschijnt dan niet meer alleen als iets wat wij waarnemen, analyseren of gebruiken. Zij verschijnt ook als iets dat ons aanspreekt. Een ruimte kan ons openen of sluiten. Een gesprek kan ons dragen of ontregelen. Een gebeurtenis kan ons dwingen anders te kijken nog voordat wij precies begrijpen waarom. Wat gebeurt er met onze levenshouding wanneer wij dat serieus nemen? De werkelijkheid staat dan niet simpelweg tegenover ons, maar werkt in op de manier waarop wij bestaan. Zolang wij denken vanuit een autonoom ik dat tegenover de wereld staat, ligt beheersing voor de hand. Wij proberen dan grip te krijgen, onszelf veilig te stellen en de werkelijkheid in begrippen of plannen onder te brengen. Dat geeft houvast, maar het kan ook verharden. De wereld wordt dan gemakkelijk een object en wij zelf worden gemakkelijk bewakers van een kwetsbaar zelfbeeld.

 

Vanuit een emergent ik ziet alles er anders uit. Dan leef je niet als een afgesloten kern die zich tegenover de werkelijkheid moet handhaven. Dan leef je als een wezen dat ontstaat in betrokkenheid, in ontvankelijkheid en in antwoord op wat zich aandient. Ook de ander krijgt dan een andere plaats in onze ervaring. De ander is niet alleen iemand die wij kunnen begrijpen of beoordelen, maar ook iemand door wie ons perspectief kan verschuiven. In de ontmoeting met een ander kan iets zichtbaar worden wat wij zelf niet hadden kunnen voortbrengen. Daarom is de ander niet slechts een object van waarneming, maar ook een aanwezigheid die ons kan verruimen en verdiepen.

 

Ook vrijheid krijgt dan een andere betekenis. Vrijheid betekent niet dat wij losstaan van alles wat ons raakt, en zij betekent evenmin dat wij alles kunnen beheersen. Vrijheid betekent dat wij kunnen antwoorden op wat zich aandient. Juist omdat ervaring ons raakt, krijgen wij de mogelijkheid om ons ertoe te verhouden. Vrijheid ligt dan niet in onaantastbaarheid, maar in responsiviteit. Dat maakt ook begrijpelijk waarom controle zo vaak uitgeput raakt. Wie zichzelf beleeft als de absolute drager van het leven, moet voortdurend sturen, bewaken en herstellen. Wie daarentegen leert zien dat het persoonlijke juist ontstaat in deze betrokkenheid, hoeft niet elk teken van ontregeling als verlies te ervaren. Zou het niet kunnen dat veel van onze onrust voortkomt uit het verzet tegen die betrokkenheid?

 

Wij willen vaak sterk zijn in de zin van onaangedaan blijven. Wij willen onafhankelijk zijn in de zin van niets nodig hebben. Wij willen vrijheid in de zin van maximale controle. Maar misschien berust juist daar een misverstand. Een leven dat niets toelaat, verliest uiteindelijk ook zijn diepte. Waar niets werkelijk binnenkomt, kan ook weinig werkelijk betekenis krijgen. Daarom leidt dit inzicht tot een andere levenshouding. Het nodigt uit tot minder zelfhandhaving en meer afstemming. Het nodigt uit tot minder dwangmatige beheersing en meer ontvankelijkheid. Het nodigt ook uit tot een andere moed, niet de moed om alles te domineren, maar de moed om controle los te laten en te vertrouwen op wat zich dan vanzelf kan tonen. Daarbij verliest ook het idee van zelfverdienste zijn vanzelfsprekendheid, omdat persoonlijk leven niet ontstaat als prestatie, maar opkomt waar de krampachtigheid van zelfbehoud begint te wijken. Juist wanneer wij die verkramping durven te laten vieren, kan een meer gedragen manier van bestaan vanzelf zichtbaar worden.

 

Dat betekent dat menszijn niet neerkomt op grip hebben, maar op leren onderscheiden waardoor je je terecht laat raken. Niet elke indruk verdient toegang, maar zonder deze openheid verschraalt het persoonlijke bewustzijn zelf. De kern is daarom eenvoudig, al is zij niet gemakkelijk te leven. Persoonlijk bewustzijn ontstaat waar zintuiglijke en transcendente ontvankelijkheid interfereren tot één geleefde samenhang. Binnen die samenhang gaat ervaring ons werkelijk aan en treedt het emergente ik naar voren als centrum van betrokkenheid. Vanuit dat perspectief verschijnt de wereld niet langer als louter object, maar als werkelijkheid die ons raakt en waartoe wij ons gaan verhouden. Misschien begint een mens pas werkelijk persoonlijk te leven wanneer hij niet langer alleen vraagt wat hij van de wereld wil, maar ook wat de wereld in hem aanspreekt. Dan wordt leven ook steeds meer een kunst van resoneren, waarin niet alles naar onze hand hoeft te worden gezet, maar wij leren meebewegen met wat zich op betekenisvolle wijze aandient.

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe

Ontvang automatisch mijn blogs

© 2020 by Marc Cornelisse. Proudly created with Wix.com

bottom of page