top of page

Het project mens (deel 1)

Over het mensbeeld dat ons te zwaar is geworden.


Wij leven in een samenleving waarin de mens meestal wordt aangesproken als iemand die keuzes maakt, verantwoordelijkheid draagt en richting geeft aan zijn eigen leven. Dat klinkt bijna neutraal. Maar precies daarin gebeurt iets beslissends. De mens wordt meteen begrepen vanuit verantwoordelijkheid. Hij verschijnt niet eerst als levend, kwetsbaar en ingebed wezen, maar als iemand die aanspreekbaar is op wat hij doet, nalaat, bereikt of niet bereikt. Maar waar komt dit beeld vandaan? Hoe is de mens zichzelf gaan begrijpen als een wezen dat zijn leven moet vormgeven en zijn falen moet verwerken? En waarom zijn begrippen als autonomie en verantwoordelijkheid zo vanzelfsprekend in het centrum komen te staan?

 

Deze vragen raken niet alleen aan ideeën over de mens. Zij raken aan de wijze waarop de samenleving is ingericht. In de manier waarop mensen worden benaderd, beoordeeld en verantwoordelijk worden gehouden, werkt steeds een beeld mee van wat een mens is. In die benadering ligt al een verwachting besloten. Wat mag van een mens gevraagd worden? Waarop mag hij worden aangesproken? En past het nog bij wat de mens werkelijk is en bij wat deze tijd van hem vraagt?

 

Het vigerende mensbeeld is niet in één keer bedacht. Het is ontstaan uit een lange historische beweging waarin de mens zich geleidelijk losmaakte uit de verbanden die hem eeuwenlang hadden gedragen en begrensd. Die beweging was aanvankelijk vaak bevrijdend. De mens kwam minder vast te zitten in de plaats die hem bij geboorte was toegewezen. Er ontstond ruimte om zichzelf innerlijker, waardiger en kritischer te verstaan. Zonder die ontwikkeling zouden wetenschap, democratie en persoonlijke ontplooiing nauwelijks denkbaar zijn.

 

In oudere culturen stond de mens sterker ingebed in een wereld die hem voorafging. Hij begreep zichzelf niet allereerst als afzonderlijk individu, maar als deel van een betekenisvolle orde. Bij Aristoteles staat de mens niet los van het samenleven. Hij komt tot zijn bestemming in een gemeenschap waarin deugd wordt geoefend en het goede leven richting geeft. Die orde gaf richting voordat de mens zichzelf als project kon begrijpen. Zij bood houvast, omdat het leven niet telkens opnieuw uit het individu zelf hoefde te worden afgeleid. Maar dezelfde inbedding begrensde ook zijn vrijheid. Wie iemand was, werd grotendeels bepaald door de wereld waarin hij geboren werd. De latere geschiedenis van het mensbeeld kan daarom worden gelezen als een geleidelijke losmaking uit die vooraf gegeven bedding. Die losmaking heeft de mens bevrijd, maar zij heeft hem ook steeds meer met zichzelf belast.

 

Met de opkomst van filosofie en religieuze innerlijkheid veranderde de verhouding van de mens tot zichzelf. Bij Augustinus wordt die beweging zichtbaar in de aandacht voor innerlijkheid, geweten en zelfonderzoek. De mens werd niet langer alleen begrepen vanuit zijn plaats in de gemeenschap, maar ook vanuit een binnenruimte waarin waarheid en bestemming zich konden melden. Daardoor kreeg het mensbeeld meer diepte. De mens kon zichzelf onderzoeken en zich afvragen hoe hij moest leven. Tegelijk werd zijn bestaan zwaarder. Niet alleen zijn daden kregen betekenis, maar ook wat zich innerlijk in hem afspeelde. De mens kreeg een binnenwereld die verantwoord moest worden.

 

Daarna kreeg het denken steeds meer gewicht. Bij René Descartes krijgt deze verschuiving een scherpe vorm. De mens verschijnt als denkend subject dat zekerheid zoekt door afstand te nemen, te onderscheiden en via inzicht orde aan te brengen. Dat bracht een grote bevrijding uit vanzelfsprekendheid en mythe. Maar ook hier ontstond een verschuiving. Het denkende ik ging steeds sterker gelden als bestuurder van het leven. Wat lichamelijk, affectief of afhankelijk was, kwam lager te staan dan wat beheerst en rationeel geordend kon worden.

 

Met de vroegmoderne omslag naar wetenschap en techniek werd deze beweging verder versterkt. Bij Francis Bacon wordt kennis nadrukkelijk verbonden met beheersing van de natuur. De mens werd degene die tegenover de wereld staat en haar via kennis, berekening en techniek naar zijn hand probeert te zetten. De wetenschappelijke revolutie bracht ongekende mogelijkheden, maar zij veranderde ook het werkelijkheidsbegrip. Wat meetbaar en controleerbaar was, kreeg het meeste gezag. Wat zich alleen als geleefde ervaring liet benaderen, raakte daardoor gemakkelijker op de achtergrond.

 

De Verlichting gaf deze ontwikkeling een politieke en morele lading. Bij Immanuel Kant krijgt autonomie haar klassieke formulering als het vermogen van de mens om niet alleen door gezag van buitenaf, maar vanuit eigen redelijk inzicht te handelen. De mens moest niet langer leven onder het vanzelfsprekende gezag van kerk, vorst of traditie, maar zelf leren denken. Daarmee ontstond een krachtig bevrijdingsmotief. De mens werd aangesproken als burger en als drager van rechten en plichten. Maar autonomie bleef niet beperkt tot bescherming tegen onderdrukking. Zij werd ook een norm waaraan de mens moest voldoen. Hij moest zichzelf bepalen, zichzelf sturen en zichzelf verantwoorden.

 

Naarmate de religieuze bedding aan vanzelfsprekendheid verloor, werd de mens nog sterker op zichzelf teruggeworpen. Bij Friedrich Nietzsche wordt zichtbaar wat er gebeurt wanneer de oude hoogste waarden hun vanzelfsprekendheid verliezen. Betekenis, richting en waarde werden minder vanzelfsprekend aangereikt door een gedeelde orde. Wat eerder buiten de mens lag, kwam steeds meer bij hemzelf te liggen. Hij moest niet alleen vrij worden, maar ook zelf zin geven aan zijn bestaan. Daarmee werd autonomie niet alleen een redelijk ideaal, maar ook een existentiële opdracht.

 

In de burgerlijke en economische moderniteit kreeg die autonomie ook een sociale en economische uitwerking. Bij John Locke en later bij Adam Smith wordt de mens sterker zichtbaar als eigenaar, arbeider en deelnemer aan een economisch verkeer. Het oude adagium dat wie voor een dubbeltje geboren is nooit een kwartje wordt, verloor zijn vanzelfsprekendheid. Niet de positie waarin iemand geboren werd, maar wat hij wist te bereiken, ging bepalend worden voor zijn zelfbeeld. Dat gaf hoop, omdat een andere toekomst denkbaar werd. Tegelijk werd falen persoonlijker. Succes kon worden gelezen als verdienste, mislukking als tekort. De mens ging zichzelf steeds meer begrijpen vanuit zijn loopbaan en vanuit de bijdrage die hij zichtbaar kon leveren.

 

Met de uitbouw van de moderne verzorgingsstaat kwam daar een administratieve laag bij. Bij Max Weber wordt zichtbaar hoe de moderne bureaucratie mensen ordent via regels, procedures en bevoegdheden. Om bescherming, rechten en organisatie mogelijk te maken, moest de mens registreerbaar en aanspreekbaar worden. Dat was noodzakelijk voor een complexe samenleving. Maar het had ook een keerzijde. De mens werd steeds vaker benaderd via het systeem dat hem moest ordenen. De levende persoon verdween achter categorie, dossier en functie. De toeslagenaffaire heeft pijnlijk zichtbaar gemaakt hoe ver die reductie kan gaan wanneer mensen niet meer in hun concrete situatie worden gezien, maar vast komen te zitten in een administratieve werkelijkheid die hen al heeft beoordeeld. Wat bedoeld was om samenleven mogelijk te maken, begon de mens ook te reduceren tot hanteerbare eenheid. Daarmee werd het beeld van de mens als registreerbare, beoordeelbare en corrigeerbare persoon ook institutioneel verankerd.

 

Het neoliberale denken heeft die opdracht nog scherper gemaakt. De mens wordt aangesproken als iemand die zichzelf moet beheren in een wereld van voortdurende verandering. Michel Foucault helpt begrijpen hoe macht niet alleen van buitenaf werkt, maar mensen vormt tot subjecten die zichzelf bewaken en sturen. In die beweging wordt maatschappelijke druk gemakkelijk vertaald in persoonlijke verantwoordelijkheid. De mens moet beschikbaar blijven, zich aanpassen, zijn grenzen bewaken en tegelijk blijven presteren.

 

De digitale cultuur heeft daar een nieuwe laag aan toegevoegd. Bij Byung-Chul Han wordt zichtbaar hoe vrijheid zelf kan omslaan in zelfexploitatie en permanente zichtbaarheid. Het zelf verschijnt steeds meer als profiel, beeld en datastroom. De mens ziet zichzelf voortdurend terug via reacties, vergelijkingen en meetbare signalen. Daardoor wordt identiteit niet alleen innerlijk beleefd, maar ook permanent gepresenteerd en beoordeeld.

 

Zo heeft het vigerende mensbeeld zijn huidige vorm gekregen. Wat begon als bevrijding, is geleidelijk uitgegroeid tot een regime van zelfbeheer. De mens hoeft niet langer alleen te gehoorzamen aan autoriteiten, maar moet zichzelf maken, bewijzen en verantwoorden. De uiterlijke dwang is innerlijke dwang geworden. Constructies die ooit hielpen om het leven te ordenen, bepalen steeds sterker wie of wat wij als mens denken te zijn.

 

Opmerkelijk is dat deze historische beweging ook fractaal kan worden gelezen. Niet omdat de levensloop van het individu de geschiedenis van de mensheid letterlijk herhaalt, maar omdat op beide niveaus eenzelfde grondstructuur zichtbaar wordt. De mens wordt niet geboren als autonoom subject. Hij begint in een bedding die hem draagt voordat hij zichzelf begrijpt. Pas geleidelijk ontstaat een ik dat afstand kan nemen, richting kan geven en verantwoordelijkheid kan dragen. Wat de cultuurgeschiedenis als lange beweging laat zien, herhaalt zich in de biografie als ontwikkelingslijn. In die zin bevat het kleinere patroon iets van het grotere geheel. Ook daar is losmaking noodzakelijk, maar ook daar kan zij omslaan in overbelasting. Wanneer de mens zichzelf te vroeg, te zwaar of te eenzijdig moet dragen, wordt ontwikkeling geen open beweging meer, maar een opdracht waaraan hij moet voldoen.

 

Daarin loopt de mens nu vast. Dat blijkt niet alleen uit een algemeen gevoel van onbehagen, maar uit de concrete vormen waarin het leven zelf onder druk komt te staan. Steeds meer jongeren groeien op met angst, somberheid en identiteitsdruk. Zij moeten al vroeg een beeld van zichzelf vormen in een wereld die hen voortdurend vergelijkt, beoordeelt en zichtbaar maakt. Wat een open ontwikkeling zou moeten zijn, wordt zo gemakkelijk een belastende opdracht. Ook bij volwassenen wordt zichtbaar dat de draagkracht afneemt. Het toenemende aantal burn-outs laat zien dat arbeid voor velen niet langer vanzelfsprekend houvast en betekenis biedt, maar uitmondt in uitputting. Het toenemende gebruik van antidepressiva wijst op een cultuur waarin psychisch lijden vaak wordt gedempt, terwijl het mensbeeld dat dit lijden mede voortbrengt buiten beeld blijft. Eenzaamheid maakt zichtbaar dat het sociale weefsel verzwakt. De mens moet steeds meer zelf zorgen voor verbinding, richting en stabiliteit, terwijl juist die opdracht hem verder op zichzelf terugwerpt.

 

Het lichaam draagt dezelfde spanning mee. Het registreert wat de samenleving van de mens vraagt. Stress, slaapstoornissen, chronische vermoeidheid en leefstijlproblematiek zijn daarom niet alleen individuele kwesties. Zij laten zien dat het lichaam de plaats wordt waar maatschappelijke overvraging neerslaat. Een cultuur die inzetbaarheid, snelheid, zichtbaarheid en prestatie permanent opvoert, schrijft zich uiteindelijk in het lichaam in.

 

Ook op het niveau van de mensheid wordt dezelfde ontsporing zichtbaar. Oorlogen tonen hoe hardnekkig de logica van macht en vijanddenken blijft doorwerken. Klimaatverandering laat zien dat de aarde te lang is behandeld als object van beheersing en exploitatie. Vluchtelingenstromen maken zichtbaar hoe geweld, ongelijkheid en ecologische ontwrichting mensen letterlijk losrukken uit hun vertrouwde leefwereld. Polarisatie toont dat het gemeenschappelijke gesprek onder druk staat en dat positie steeds vaker de plaats inneemt van werkelijk verstaan.

 

In al deze verschijnselen klinkt dezelfde grondtoon. De mens en de wereld worden benaderd alsof zij beheersbaar, maakbaar en toerekenbaar zijn. Maar juist dat beeld begint te bezwijken. De mens blijkt kwetsbaarder, afhankelijker en relationeler dan het vigerende mensbeeld kan dragen. De crises van deze tijd zijn daarom niet alleen beleidsproblemen of psychische problemen. Zij leggen bloot dat wij de mens misschien nooit werkelijk hebben begrepen.

 

De rode draad is dat onze cultuur veel verschijnselen individualiseert die in werkelijkheid relationeel, lichamelijk en systemisch zijn. Wat voortkomt uit overbelasting, verzwakking van dragende verbanden of maatschappelijke ontregeling, wordt vaak teruggelegd bij het individu. De mens moet veerkrachtiger worden, beter omgaan met druk, zijn grenzen bewaken en zichzelf blijven ontwikkelen. Daarmee blijft de structuur die hem overbelast grotendeels buiten beeld. Juist daar wordt de vraag onvermijdelijk. Wat gebeurt er met een samenleving wanneer zij de mens blijft aanspreken vanuit een beeld dat hem steeds verder belast? En wat gebeurt er met de mens wanneer hij zichzelf blijft begrijpen vanuit datzelfde beeld? Misschien begint de werkelijke crisis niet bij de symptomen die wij proberen te behandelen, maar bij het mensbeeld dat eraan ten grondslag ligt en die symptomen mede voortbrengt. Wordt vervolgd.

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe

Ontvang automatisch mijn blogs

© 2020 by Marc Cornelisse. Proudly created with Wix.com

bottom of page