Het project mens (deel 2)
- Marc Cornelisse
- 24 mei
- 7 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 25 mei
In het vorige blog werd het vigerende mensbeeld ter discussie gesteld. Niet de afzonderlijke symptomen stonden centraal, maar het beeld van de mens dat eraan ten grondslag ligt en die symptomen mede voortbrengt. Wanneer angst, burn-outs, eenzaamheid en identiteitsdruk vooral bij het individu worden teruggelegd, blijft de diepere vraag gemakkelijk buiten beeld. Misschien loopt de mens niet vast omdat hij tekortschiet, maar omdat hij zichzelf is gaan begrijpen vanuit een beeld dat hem steeds verder belast.
Daarom moet de vraag worden omgekeerd. Niet hoe de mens beter kan functioneren binnen de taal van prestatie, zelfbeheer en maatschappelijke beoordeling, maar wat de mens is voordat hij in die taal wordt opgenomen. Pas dan kan zichtbaar worden of autonomie, verantwoordelijkheid en zelfsturing werkelijk de grond vormen van menszijn, of dat zij latere lagen zijn die hun plaats hebben, maar niet het fundament kunnen dragen.
Voor velen is het geen gemeengoed meer, maar in het pinksterverhaal daalt de geest neer op mensen die niet eerst begrijpen, beheersen of besturen, maar ontvangen. Aanvankelijk betreft dit de kring rond Jezus, maar de betekenis van het verhaal reikt verder. De geest verschijnt als gave die de mens opent voor een werkelijkheid die hij niet zelf voortbrengt. Daarin herken ik wat ik transcendente ontvankelijkheid ben gaan noemen.
Die gedachte verschuift het mensbeeld. De mens verschijnt dan niet als autonoom centrum dat zichzelf bezit en bestuurt. Hij is een wezen dat geraakt kan worden door wat hem overstijgt. De geest versterkt niet het ego, maar opent de mens voor een werking die door hem heen tot verschijning komt. De mens wordt plaats van ontvangst. Hij spreekt, handelt en verstaat niet alleen vanuit zichzelf of de wereld rondom hem, maar vanuit wat zich aan hem meedeelt.
Aan ervaring gaat zo dus een dubbele ontvankelijkheid vooraf. Enerzijds is er de zintuiglijke ontvankelijkheid waardoor lichaam en wereld zich melden in kleur, klank, adem, spanning, nabijheid en situatie. Anderzijds is er transcendente ontvankelijkheid waardoor samenhang, inzicht en betekenis zich kunnen aandienen vanuit een werkelijkheid die het individuele bewustzijn overstijgt. Het pinksterverhaal spreekt in dit verband over de Heilige Geest. Rudolf Steiner zou hier spreken over het geestelijke. Zelf vat ik deze toegang op als de transcendente dimensie van ontvankelijkheid. Pas waar deze beide bewegingen elkaar raken, verschijnt ervaring. De mens ervaart dus niet omdat een ik de wereld ordent, maar omdat hij ontvankelijk is voor wat zich lichamelijk en transcendent aan hem meedeelt. In die dubbele ontvankelijkheid ligt het primaat van ervaring.
Ieder mens is een geworpene. Hij begint in een lichaam dat hij niet zelf gekozen heeft, in een tijd die hem voorafgaat en in een wereld die al betekenis draagt voordat hij haar begrijpt. Hij is geen lichaam dat door een innerlijk ik wordt aangestuurd, maar een mens waarin de wereld binnenkomt. Zijn bestaan begint niet bij zelfbeschikking, maar bij gegevenheid. Pas binnen die gegevenheid kan iets als persoonlijke ervaring ontstaan.
Daarom begint menszijn niet bij keuze, maar bij ontvankelijkheid. Die ontvankelijkheid is geen abstract vermogen en ook geen louter innerlijke houding. Zij wordt allereerst lichamelijk werkzaam. Het lichaam ademt, spant zich, ontspant en reageert. In het lichaam meldt de wereld zich voordat zij wordt verklaard. Wat verschijnt, komt niet als kale informatie binnen, maar als gewaarwording, stemming en betrokkenheid. Pas in die dubbele ontvankelijkheid kan ervaring ontstaan. Iets wordt niet alleen waargenomen, maar krijgt duur, richting en betekenis. Binnen die stroom van ervaring begint zich geleidelijk een persoonlijk perspectief te vormen. Er ontstaat een midden van waaruit iets verschijnt als mij betreffend.
Binnen die stroom verdicht zich wat wij het ik noemen. Dat ik bestaat niet eerst om daarna de ervaring te ordenen. Het ontstaat in de ervaring zelf, wanneer lichamelijke gewaarwording, herinnering, taal en betekenis zo samenkomen dat iets als mijn ervaring kan verschijnen. Dan is er niet alleen pijn, maar mijn pijn. Niet alleen herinnering, maar mijn herinnering. Niet alleen verlangen, maar mijn verlangen. Het ik perspectief is daarom werkelijk, maar niet absoluut. Het is geen vaste kern achter het leven. Het is de vorm waarin ervaring persoonlijk wordt. De mens heeft dit perspectief nodig om zich te oriënteren, maar hij valt er niet mee samen als met een zelfstandige substantie. Het ik is een perspectief, geen oorsprong.
Rond dit perspectief groeit vervolgens een tweede laag. De mens krijgt een naam, een levensverhaal en een positie binnen de wereld van anderen. Deze laag is noodzakelijk, omdat een leven herkenbaar en deelbaar moet worden. Mensen moeten elkaar kunnen aanspreken en zich tot elkaar kunnen verhouden. Zonder die herkenbare vorm zou samenleven nauwelijks mogelijk zijn.
Maar precies hier ontstaat ook de verwarring. Wat bedoeld is als ordening, kan zich voordoen als wezen. De constructielaag maakt de mens herkenbaar, maar kan hem ook vastzetten. Dan verschijnt hij niet langer als levend lichaam waarin ervaring zich vormt, maar als drager van een verhaal dat moet kloppen. Zijn waarde lijkt afhankelijk te worden van wat dat verhaal bevestigt of bedreigt.
Zo gaat de mens samenvallen met wat rond hem is opgebouwd. Zijn geschiedenis, zijn maatschappelijke positie en zijn tekort worden dan niet langer gezien als lagen van het bestaan, maar als bewijs van wie hij is. De laag die hem herkenbaar maakt, wordt de laag waarin hij gevangen raakt. Daar ontstaat het ego. Het ego is niet hetzelfde als het ik perspectief. Het ego ontstaat wanneer de constructielaag zich vastzet en zichzelf voor oorsprong houdt. Wat voorlopig en dynamisch was, wordt dan verdedigd alsof het de kern van de mens is. Het ego wil vasthouden en controleren, omdat het vreest dat er zonder opgebouwde identiteit niets overblijft. Hier wordt ook het onderscheid tussen ik, zelf en ego zichtbaar. Het ik is de perspectiefstructuur waarin ervaring persoonlijk wordt. Het zelf is de biografische en relationele laag die rond dit perspectief groeit. Het ego ontstaat wanneer die laag zich vastzet en zichzelf gaat gedragen alsof zij de oorsprong van het bestaan is.
Wanneer we dit eenmaal beseffen, verschuift er iets fundamenteels. De mens hoeft zijn bestaan niet langer te dragen als bezit. Hij hoeft niet samen te vallen met wat hij bereikt, verliest of nalaat. Hij hoeft zichzelf niet langer te begrijpen als eigenaar van een vaste identiteit. Dat ontkent zijn leven niet, maar brengt de vraag scherper in beeld wat de mens ten principale is.
Vanuit dit besef verschuiven ook begrippen die diep in ons zelfverstaan zijn ingeslepen. Vrije wil en verantwoordelijkheid verdwijnen niet, maar zij verliezen hun vanzelfsprekende betekenis. Handelen kan niet langer worden begrepen als uitdrukking van een losstaand ego dat buiten lichaam, geschiedenis en situatie zou staan. Wat iemand doet, ontstaat binnen de concrete samenhang waarin hij gevormd is en geraakt wordt. Onder vrije wil en verantwoordelijkheid ligt daarom een fundamentelere structuur. De mens handelt als wezen dat antwoord geeft op wat zich aandient. Dat antwoord ontstaat niet uit een absoluut beginpunt, maar uit de verhouding waarin iemand zich bevindt. Die respons kan ruimer of nauwer worden, zorgvuldiger of destructiever. Daarom is responsiviteit niet het tegendeel van verantwoordelijkheid, maar de onderliggende structuur waarin vrije wil en verantwoordelijkheid opnieuw kunnen worden verstaan. De vraag verschuift dan van schuld naar mogelijkheid. Welke respons wordt hier gewekt? Wat wordt geblokkeerd? En welke omstandigheden maken een ander antwoord mogelijk?
Ook het lijden verschijnt dan in een ander licht. Burn-out, eenzaamheid en psychische ontregeling zijn persoonlijke problemen, omdat zij in het leven van concrete mensen worden ervaren. Maar zij worden mede veroorzaakt door een mensbeeld dat de mens te veel op zichzelf terugwerpt. Daardoor wordt het individu belast met wat eigenlijk voortkomt uit een verstoorde verhouding tot lichaam, wereld, samenleven en de transcendente samenhang waarbinnen betekenis zich kan aandienen.
Een nieuw mensbeeld begint daarom niet bij meer controle, maar bij een andere grond. De mens is een belichaamde ontvankelijkheid waarin ervaring verschijnt. Binnen die ervaring ontstaat een ik perspectief. Rond dat perspectief groeit een constructielaag die herkenning, aanspreekbaarheid en samenleven mogelijk maakt. Die laag heeft gebruikswaarde, maar geen grondwaarde. Namen, rollen en instituties blijven nodig, maar zij mogen de mens niet vervangen. Zij moeten het leven dienen, zonder te bepalen wat de mens in zijn grond is.
Bevrijding betekent dan geen passiviteit. Zij betekent verlichting. De mens hoeft niet langer oorsprong, eigenaar en rechter van zichzelf te zijn. Daardoor kan hij nauwkeuriger en eerlijker zien hoe respons in hem doorwerkt. Waar die respons niet wordt vernauwd door controle, verdediging of zelfhandhaving, kan zij tot resonantie komen. Vrijheid verschijnt dan niet als absolute zelfbeschikking, maar als de ruimte waarin de mens zo kan antwoorden dat hij in afstemming komt met wat zich aandient.
Misschien begint daar de mogelijkheid van een ander mensbeeld. Niet door de mens opnieuw vast te leggen, maar door zichtbaar te maken waar hij zichzelf te zwaar is gaan dragen. Hij is niet de oorsprong die alles moet bezitten, verklaren en beheersen. Hij is de plaats waar leven verschijnt, ervaring zich vormt en het veld tot respons kan komen. Wanneer die respons zich opent tot resonantie, wordt vrijheid geen bezit, maar deelname aan een samenhang die hem draagt.
Dit andere mensbeeld hoeft niet alleen begrepen te worden. Het kan ook worden onderzocht in het gewone verloop van de dag. Niet door jezelf te analyseren of te verbeteren, maar door nauwkeurig waar te nemen hoe weinig van het leven werkelijk begint bij een autonoom ik. Twee eenvoudige vragen kunnen daarbij richting geven.
Als oefening kun je de dag als onderzoeksruimte gebruiken. Onderbreek niets en probeer niets te verbeteren, maar stel jezelf midden in het gewone verloop één vraag. Begint dit werkelijk bij mij, veroorzaak ik dit, of geef ik antwoord op wat zich aandient? Dan kun je zien dat gedachten, stemmingen, prikkels en reacties vaak al begonnen zijn voordat je ze bewust stuurt. Je staat niet buiten de situatie als bestuurder. Je bevindt je al in een samenhang waarin respons vanzelf ontstaat.
Daarnaast kun je jezelf een tweede vraag stellen. Hoe wordt wat ik ervaar op dit moment tot mijn ervaring? Dan merk je hoe ervaring zich rond je verdicht tot een ik perspectief. Iets verschijnt als iets wat jou betreft. Vervolgens kun je zien of dat ik zich vastzet. Moet er iets verdedigd worden? Moet je gelijk bevestigd worden? Moet een beeld van jezelf overeind blijven? Dan wordt het ik perspectief smaller en harder. Daar begint het ego. De oefening vraagt niet dat je jezelf corrigeert. Zij vraagt dat je nauwkeuriger ziet hoe ervaring persoonlijk wordt en hoe het ego zich vormt wanneer die persoonlijke ervaring bezit, bewijs of bedreiging wordt.
Opmerkingen