Leven zonder het te willen bezitten
Er komt een moment waarop ieder mens beseft dat zijn leven eindig is. We weten dat we ooit zullen sterven, maar kunnen ons nauwelijks voorstellen wat het betekent om er niet meer te zijn. Juist die gedachte kan ons angst aanjagen. We hechten aan ons leven, aan de mensen van wie we houden en aan alles wat we hebben meegemaakt. De dood lijkt aan dat alles een definitief einde te maken. Maar waarom ervaren we ons persoonlijke bestaan eigenlijk als iets wat we bezitten en uiteindelijk zullen verliezen?
In dit blog wil ik onderzoeken of onze angst voor de dood samenhangt met de manier waarop we ons bewustzijn begrijpen. Daarbij komen enkele merkwaardige vragen aan de orde. Wat betekent eeuwigheid eigenlijk? Waarom zou het bewustzijn waarvan wij deel uitmaken allesomvattend kunnen zijn? Wat gebeurt er bij onze geboorte en wat betekent ons sterven vanuit dat perspectief? Via Spinoza en mijn eigen bewustzijnsfilosofie wil ik laten zien hoe onze gehechtheid aan het persoonlijke bestaan een belangrijke bron van doodsangst kan zijn. Misschien kunnen we die angst verminderen door anders te leren kijken naar wie of wat we eigenlijk zijn.
Eeuwigheid is geen tijd
Om die vragen te onderzoeken, moeten we eerst stilstaan bij een begrip dat we allemaal kennen, maar zelden werkelijk doordenken. Wanneer we over eeuwigheid spreken, stellen we ons doorgaans een tijd voor die nooit ophoudt. Maar misschien berust die voorstelling op een misverstand. Eeuwigheid zou immers ook kunnen betekenen dat er helemaal geen tijd bestaat. Zoals een lichtjaar, de afstand die het licht in één jaar aflegt, ondanks zijn naam geen tijdsduur aanduidt, zo hoeft eeuwigheid evenmin een tijdsaanduiding te zijn.
Een eindeloze tijdsduur veronderstelt nog altijd dat momenten elkaar opvolgen. Bij tijdloosheid ontbreekt juist die opeenvolging. Verleden, heden en toekomst zijn dan geen afzonderlijke werkelijkheden meer. Dit onderscheid is belangrijk omdat het onze gebruikelijke voorstelling van geboorte en dood ter discussie stelt. We beschouwen de geboorte als het begin van ons bestaan en de dood als het definitieve einde daarvan. Maar wat gebeurt er met die voorstelling wanneer ons tijdelijke bewustzijn voortkomt uit een werkelijkheid die zelf niet aan tijd onderworpen is?
Het allesomvattende bewustzijn
Naast eeuwigheid kennen we nog een begrip dat ons voorstellingsvermogen op de proef stelt. We spreken bijvoorbeeld over de alomtegenwoordigheid van God. Daarmee bedoelen we doorgaans dat God overal aanwezig is. Maar wanneer iets overal aanwezig is, denken we nog steeds aan een ruimte waarin verschillende plaatsen bestaan. Zou alomtegenwoordigheid niet fundamenteler kunnen worden begrepen? Als iets nergens ontbreekt, hoeft het immers niet noodzakelijkerwijs ergens gelokaliseerd te zijn.
In mijn bewustzijnsfilosofie beschouw ik het universele bewustzijn als de allesomvattende grond van onze werkelijkheid. Het bevindt zich niet ergens binnen de ruimte, omdat ruimte zelf pas verschijnt wanneer bewustzijn zich lokaliseert. Hetzelfde geldt voor de tijd. Ruimte en tijd behoren tot de wijze waarop de werkelijkheid zich aan ons persoonlijke bewustzijn voordoet. Het universele bewustzijn zelf is volgens deze opvatting tijdloos en ruimteloos. Daarmee verwijzen eeuwigheid en alomtegenwoordigheid naar twee aspecten van dezelfde werkelijkheid.
Deze gedachte vertoont verwantschap met de filosofie van Baruch Spinoza (1632–1677). In zijn Ethica beschrijft hij de werkelijkheid als één allesomvattend geheel, dat hij God of de Natuur noemt (Deus sive Natura). Daarmee bedoelt hij geen persoonlijke God die buiten de wereld staat, maar de oneindige werkelijkheid die in zichzelf bestaat en waarvan al het andere afhankelijk is. Hij noemt deze werkelijkheid de substantie. Alle afzonderlijke verschijnselen zijn uitdrukkingen daarvan, die hij modi noemt. Spinoza maakt bovendien onderscheid tussen eeuwigheid en duur. De substantie bestaat volgens hem noodzakelijk en is daarom eeuwig, terwijl de afzonderlijke verschijnselen een tijdelijk bestaan kennen. Daarbij beschouwt hij zowel het denken als de uitgebreidheid, waarmee hij de ruimtelijke werkelijkheid bedoelt, als eigenschappen van de substantie. Hier verschilt zijn filosofie van de mijne, omdat ruimte volgens mijn bewustzijnsfilosofie pas bij de lokalisatie van het universele bewustzijn verschijnt. Beide benaderingen delen echter de gedachte dat het afzonderlijke bestaan nooit los van het allesomvattende kan worden begrepen.
Waarom verschijnt persoonlijk bewustzijn?
Daarmee ontstaat een vraag die mij al geruime tijd bezighoudt. Waarom verschijnt het universele bewustzijn eigenlijk in afzonderlijke, tijdelijke bewustzijnsvormen? Waarom worden we geboren en ontwikkelen we een persoonlijk bewustzijn dat uiteindelijk weer verdwijnt? Misschien ligt het antwoord in het verschil tussen bewustzijn en zelfbewustzijn. Bewustzijn maakt ervaring mogelijk, maar zelfbewustzijn betekent dat we ook onszelf kunnen ervaren. We weten bijvoorbeeld niet alleen dat we iets zien, maar kunnen ons er ook van bewust worden dat wij degenen zijn die kijken. Om dat mogelijk te maken, moet er een onderscheid ontstaan tussen degene die waarneemt en datgene wat wordt waargenomen.
Volgens mijn filosofie ontstaat die mogelijkheid wanneer het universele bewustzijn zich op een bepaalde plaats en gedurende een bepaalde tijd manifesteert. Dat noem ik lokalisatie. Daarmee ontstaat een persoonlijk ervaringspunt, waarbinnen zich geleidelijk het emergente ik ontwikkelt als centrum waarin ervaringen samenkomen. Met emergent bedoel ik dat dit ik uit de samenhang van verschillende ervaringsprocessen ontstaat, zonder vooraf als zelfstandig gegeven te bestaan. Zo zou het universele bewustzijn via afzonderlijke levende wezens zichzelf kunnen waarnemen. Daar hoeft geen vooropgezet plan of bedoeling achter te zitten. De evolutie kan vervolgens verklaren hoe organismen zich ontwikkelen en steeds ingewikkelder vormen van waarneming en bewustzijn mogelijk worden. Bij de mens heeft die ontwikkeling ertoe geleid dat we zelfs over onze eigen ervaringen en ons bestaan kunnen nadenken. Zelfbewustzijn is daarmee een mogelijkheid van het universele bewustzijn die door lokalisatie en de ontwikkeling van het emergente ik tot uitdrukking kan komen.
Dat geeft ons bestaan een bijzondere betekenis, maar heeft ook een merkwaardige keerzijde. Juist doordat we ons van onszelf bewust zijn, weten we dat we bestaan en kunnen we beseffen dat daaraan ooit een einde komt. Het vermogen dat ons in staat stelt onszelf te leren kennen, maakt ons daarmee ook bewust van onze eigen sterfelijkheid.
Geboorte en dood
Vanuit dit perspectief krijgen geboorte en dood een andere betekenis. Bij onze geboorte begint een persoonlijke bewustzijnsvorm zich binnen ruimte en tijd te ontwikkelen. Er ontstaat een eigen ervaringswereld waarin lichamelijke gewaarwordingen, herinneringen en relaties geleidelijk samenhang krijgen. Naarmate deze ervaringen zich ontwikkelen, krijgt ook het emergente ik steeds duidelijker gestalte. Zo raken we vertrouwd met ons afzonderlijke bestaan en leren we onszelf herkennen als iemand met een eigen levensgeschiedenis.
Bij ons sterven eindigt volgens deze filosofische interpretatie de persoonlijke lokalisatie die zich vanaf onze geboorte heeft ontwikkeld. De lichamelijke voorwaarden waaronder ons persoonlijke bewustzijn verschijnt, vallen weg, terwijl de tijdloze grond waaruit het voortkomt onveranderd blijft. Het is daarom eigenlijk misleidend om te zeggen dat we naar de eeuwigheid terugkeren. Dat zou immers veronderstellen dat we die werkelijkheid ooit hebben verlaten. Vanuit het universele bewustzijn is daarvan geen sprake geweest.
Deze opvatting is metafysisch van aard en kan vooralsnog niet empirisch worden aangetoond. Zij biedt evenmin zekerheid over het voortbestaan van onze persoonlijke herinneringen of ervaringen. Wel maakt zij het mogelijk de dood anders te begrijpen dan uitsluitend als de overgang van bestaan naar absoluut niets.
De oorsprong van onze doodsangst
Waarom hebben we dan toch zoveel moeite met onze sterfelijkheid? De biologische grond daarvan is begrijpelijk. Levende organismen zijn gericht op zelfbehoud en reageren op omstandigheden die hun voortbestaan bedreigen. Bij de mens krijgt deze gerichtheid echter een bijzondere dimensie. Dankzij ons zelfbewustzijn kunnen we vooruitdenken en beseffen dat we ooit zullen sterven. Het vermogen dat ons helpt toekomstige gevaren te voorzien, confronteert ons tegelijkertijd met de onvermijdelijkheid van ons eigen einde.
Daar komt bij dat het emergente ik zich geleidelijk met zijn persoonlijke bestaan identificeert. Onze herinneringen, verlangens, verwachtingen en relaties worden opgenomen in een levensverhaal dat we als het onze beschouwen. Deze identificatie kan uitgroeien tot wat ik egoannexatie noem. Het ik eigent zich het bestaan toe alsof het daarvan de oorsprong en eigenaar is. Daardoor verschijnt de dood als het definitieve verlies van alles wat we menen te bezitten.
Hier doet zich een opmerkelijke paradox voor. Het vermogen tot zelfbewustzijn maakt het mogelijk dat het universele bewustzijn zichzelf vanuit een afzonderlijk perspectief ervaart, maar datzelfde vermogen brengt ook de mogelijkheid van existentiële doodsangst met zich mee. We proberen ons eigen verdwijnen voor te stellen, terwijl iedere voorstelling daarvan noodzakelijkerwijs binnen ons persoonlijke bewustzijn ontstaat. Onze doodsangst kan daarmee worden begrepen als een evolutionair bijverschijnsel van zelfbewustzijn, dat door onze gehechtheid aan het persoonlijke bestaan wordt versterkt.
Sterven voordat je sterft
In mijn eerdere blog Sterven voordat je sterft besprak ik een uitspraak die C.B. Zuijderhoudt aanhaalt in zijn boek Meister Eckhart versus advaita. ‘Als je sterft voordat je sterft, zul je niet sterven als je sterft.’ Daarin onderzocht ik hoe het loslaten van de vermeende oorsprong en het eigenaarschap van het ik ruimte schept voor zuivere ontvankelijkheid. In het licht van onze doodsangst krijgt deze gedachte een aanvullende betekenis. Wie tijdens zijn leven leert doorzien dat hij zijn bestaan niet zelf voortbrengt of bezit, kan mogelijk ook anders tegenover het einde daarvan komen te staan. De biologische dood beëindigt ons persoonlijke ervaringsperspectief, maar hoeft dan niet langer uitsluitend als het verlies van een vermeend persoonlijk bezit te worden ervaren.
Dat betekent uiteraard niet dat onze biologische drang tot zelfbehoud verdwijnt. Ook het verdriet om afscheid en verlies blijft bestaan, evenals onze verbondenheid met de mensen van wie we houden. Het inzicht in onze tijdelijkheid hoeft die betrokkenheid niet te verminderen. Integendeel, het kan ons gevoeliger maken voor de waarde van wat zich hier en nu aandient. Wat verandert, is onze verhouding tot het persoonlijke bestaan. We hoeven het leven niet langer als een bezit te beschouwen waarvan de dood ons uiteindelijk berooft.
Hier krijgt mijn begrip van ontvankelijkheid een bijzondere praktische betekenis. Als Geworpene verschijnen we in een bestaan waarvan we noch de aanvang, noch de omstandigheden hebben bepaald. Met de Onttrokkene duid ik op de mens aan wie dat persoonlijke bestaan bij het sterven weer ontvalt. Tussen deze beide grenzen voltrekt zich ons leven, waarin ervaringen voortdurend verschijnen, veranderen en verdwijnen, zonder dat wij daarover de volledige zeggenschap hebben. Wie zich daarvan bewust wordt, kan geleidelijk een andere verhouding ontwikkelen tot de vergankelijkheid van het eigen bestaan. De dood verschijnt dan als de uiterste grens van een bestaan waarvan we het verloop nooit volledig in handen hebben gehad. Daarbij schuilt nog wel een valkuil. Zodra we van het loslaten een persoonlijke prestatie maken, eigent het ik zich zelfs zijn eigen onthechting toe. Juist daarom vraagt ontvankelijkheid om een open houding waarin ook onze angst voor de dood mag verschijnen.
Hetzelfde zelfbewustzijn dat ons confronteert met onze sterfelijkheid, stelt ons ook in staat onze gehechtheid aan het persoonlijke bestaan te doorzien. Daarin schuilt een bijzondere mogelijkheid tot ervaringsvrijheid. We hoeven onze doodsangst niet te bestrijden of onszelf gerust te stellen met zekerheid over wat ons na de dood te wachten staat. We kunnen leren die angst te ontvangen als onderdeel van ons tijdelijke bestaan, zonder dat zij onze verhouding tot het leven volledig bepaalt.
Misschien ligt daarin de diepste betekenis van sterven voordat je sterft. Wie tijdens zijn leven ontdekt dat hij zijn bestaan niet bezit, hoeft het sterven niet langer uitsluitend als een onteigening te ervaren. De dood blijft een ingrijpende grens van ons menselijke bestaan, maar hoeft niet het laatste woord te hebben over de wijze waarop we leven. We kunnen ons leven met verwondering ontvangen, juist omdat het zich aan ons voltrekt zonder dat we het ooit volledig in handen hebben gehad.
Opmerkingen