top of page

Na Pasen verscheen Jezus

Na Pasen begint de eigenlijke moeilijkheid pas. Wat gebeurde er toen en hoe kunnen wij die gebeurtenissen filosofisch interpreteren? Wat bedoelen de paasverhalen wanneer zij zeggen dat Jezus na zijn dood in Christusgestalte verschijnt? Waarom herkennen de leerlingen hem pas later? Deze vragen raken de kern van het paasverhaal, omdat de teksten zelf al laten zien dat hier geen sprake is van een gewone terugkeer van de aardse Jezus in dezelfde gestalte.

 

De verhalen beschrijven een merkwaardige spanning. Jezus verschijnt als menselijk waarneembaar. Hij spreekt, loopt mee en handelt. Toch valt hij niet eenvoudig samen met zijn vroegere verschijningsvorm. Hij wordt namelijk niet direct herkend, verschijnt en verdwijnt steeds tamelijk abrupt. Juist daarom moet Pasen anders worden gedacht dan als herstel van dezelfde lichamelijke individualiteit.

 

Binnen mijn filosofie wordt dat onderscheid voorstelbaar. Persoonlijk bewustzijn ontstaat niet uit het brein als uit een producerende oorzaak, maar wordt door het brein wel gelokaliseerd, gestructureerd en begrensd. Met de dood verdwijnt de persoonlijke aanwezigheid, maar niet noodzakelijk iedere resonantie van de persoon. Bij de meeste mensen zal die resonantie geleidelijk wegsterven in het grotere geheel waaruit zij voortkwam. Bij Jezus kan men denken dat dit niet of niet in dezelfde mate gebeurt.

 

Wat in Jezus als uitzonderlijk sterke persoonlijke afstemming aanwezig was, dooft met zijn dood niet eenvoudig uit. De resonantie van zijn persoon kan daardoor werkzaam blijven, ook wanneer de vroegere lichamelijke gestalte is weggevallen. Zo blijft zijn persoon als presentiemogelijkheid beschikbaar, zonder dat van een gewone terugkeer in hetzelfde lichaam sprake hoeft te zijn.

 

Vanuit dat perspectief kan de paasverschijning worden verstaan als tijdelijke, menselijk herkenbare presentie van de blijvend werkzame resonantie van zijn persoon. Daarmee hoeft men niet te beweren dat hetzelfde biologische lichaam eenvoudig terugkeerde. Men hoeft het gebeuren evenmin te reduceren tot louter innerlijke beleving. Pasen wijst dan op een grensgeval van verschijnen, waarin een uitzonderlijk sterke persoonsorde zich opnieuw lokaal en herkenbaar manifesteert zonder samen te vallen met gewone materiële continuïteit.

 

Daarbij komt dat ervaringen van aanwezigheid, verschijning of nabijheid van overledenen voor mensen niet volstrekt vreemd zijn. In uiteenlopende contexten melden mensen dat een gestorvene zich nog eenmaal of nog enige tijd aan hen aandient in waarneming, stem, gebaar of intense presentie. Dat zulke ervaringen voorkomen, bewijst op zichzelf niets over hun ontologische status, maar het maakt wel duidelijk dat de paasverhalen niet noodzakelijk verwijzen naar een voor het menselijk ervaringsveld volledig onbekend fenomeen. Het uitzonderlijke ligt dan niet allereerst in het feit dat er sprake is van verschijning, maar in de intensiteit, de draagwijdte en de blijvende betekenis die deze verschijningen in het geval van Jezus hebben gekregen.

 

Pasen vraagt dan niet om goedgelovigheid, maar om een ruimer begrip van mens en werkelijkheid. Wie bewustzijn niet herleidt tot breinactiviteit alleen, hoeft de paasverhalen niet langer op te vatten als een ongerijmd biologisch wonder of als een vrome projectie. Zij kunnen dan gelezen worden als getuigenissen van een uitzonderlijke persoonlijke resonantie die niet eenvoudig uitdooft en zich onder bepaalde voorwaarden opnieuw present kan stellen. Zo wordt Pasen niet minder raadselachtig, maar wel filosofisch beter te verstaan.

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe

Ontvang automatisch mijn blogs

© 2020 by Marc Cornelisse. Proudly created with Wix.com

bottom of page