Sterven voordat je sterft
Tijdens het lezen van Meester Eckhart versus advaita, thuiskomen in dezelfde bron van C.B. Zuijderhoudt trof mij de zin ‘Als je sterft voordat je sterft, zul je niet sterven als je sterft.’ Die gedachte raakt aan wat ik transcendentale ontvankelijkheid noem.
Sterven voordat je sterft kan worden verstaan als het loslaten van het ik dat zichzelf beschouwt als oorsprong, eigenaar en bestuurder van wat er verschijnt. Wat dan overblijft, is geen leegte, maar zuivere ontvankelijkheid. Wat verschijnt, wordt niet slechts ervaren als iets dat al voltooid voor ons ligt. Het krijgt van moment tot moment gestalte in ons bewustzijn. In die zin voltrekt zich voortdurend een scheppingsgebeuren. Transcendentale ontvankelijkheid vormt de openheid waarin potentie tot actualiteit komt en het zijn zich, in samenhang met onze zintuiglijke ontvankelijkheid, telkens opnieuw verwezenlijkt. Dat voortdurende samenspel van ontvangen en verschijnen noem ik de ervaringsdynamiek.
Vanuit die gedachte krijgt ook de zin uit het Onze Vader ‘Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel’ een andere betekenis. Zij hoeft niet te verwijzen naar gehoorzaamheid aan een God die van buitenaf zijn wil oplegt. De hemel kan worden verstaan als de grond van het zijn waarin potenties besloten liggen. De aarde verwijst dan naar de zintuiglijk waargenomen omstandigheden waarin die potenties gestalte kunnen krijgen. Gods wil geschiedt wanneer wat vanuit die grond tot verschijnen komt, zich daadwerkelijk kan actualiseren. Maar juist daar kan de mens het scheppingsgebeuren verstoren. Zodra het ego met zijn verwachtingen, oordelen, overtuigingen en verlangens bepaalt wat toegelaten wordt, vernauwt het veld van mogelijke actualisering. Wat had kunnen verschijnen, krijgt geen gestalte of wordt onmiddellijk gedwongen in de vorm van wat reeds bekend is. Het ego beperkt daarmee onze ervaring van wat verschijnt, doordat het selecteert en reguleert wat er door ons heen gerealiseerd wil worden.
Juist daarom heeft de ervaring voor mij het primaat wanneer het om mens zijn gaat. Nog voordat wij denken, oordelen of betekenis geven, worden wij geraakt door wat zich aandient. Ervaring vormt het gebeuren waarin het mogelijke tot verschijning kan komen. Denken, taal en identiteit volgen daarop en kunnen die ervaring verdiepen, maar ook vastleggen en vernauwen. Mens zijn begint daarom niet bij het ego dat zichzelf als autonoom beschouwt en de wereld naar zijn hand zet, maar bij het vermogen zich ontvankelijk te houden voor wat zich wil ontvouwen.
Afstemming betekent binnen dit perspectief dat de mens zich dit gebeuren niet probeert toe te eigenen. De mens brengt de ervaring niet vanuit zichzelf voort, maar neemt deel aan het gebeuren waarin ervaring gestalte krijgt. Misschien wijst juist daarom het sterven vóór de dood niet op vernietiging, maar op het verdwijnen van de vermeende oorsprong. Wat sterft, is het ego dat zegt dat het de bron is. Wat blijft, is pure ontvankelijkheid.
Opmerkingen