top of page

Strohonden

28 aug
6 minuten om te lezen

Het taoïsme lijkt in onze tijd opnieuw veel mensen te raken. Dat is misschien niet zo vreemd. We leven in een cultuur waarin het individu voortdurend wordt aangespoord om zichzelf vorm te geven, keuzes te maken, zich te ontwikkelen en zijn leven zo goed mogelijk onder controle te krijgen. Zelfs rust, gezondheid en bezinning kunnen gemakkelijk onderdeel worden van datzelfde project. We moeten niet alleen leven, maar ook steeds bewuster, gezonder, succesvoller en gelukkiger leven.

 

Het taoïsme spreekt vanuit een bijna tegengestelde beweging. Het vraagt niet hoe wij meer greep op het bestaan kunnen krijgen, maar wat er gebeurt wanneer wij onze behoefte aan beheersing loslaten. Het stelt niet voortdurend het handelen centraal, maar ook het niet handelen. Het vraagt niet allereerst hoe wij onszelf kunnen verwezenlijken, maar hoe wij kunnen meebewegen met een werkelijkheid waarvan wij vanaf het begin deel uitmaken. Misschien spreekt juist die omkering ons tegenwoordig aan. Zij biedt een uitweg uit de vermoeiende gedachte dat het leven uiteindelijk ons eigen project zou moeten zijn. Een van de vreemdste en tegelijk meest radicale beelden waarmee de Tao Te Ching die gedachte uitdrukt, is dat van de strohond.

 

In het vijfde hoofdstuk schrijft Laozi dat Hemel en Aarde niet menselijk zijn en de tienduizend dingen als honden van stro behandelen. Met die tienduizend dingen worden alle verschijningsvormen en levende wezens bedoeld, en de mens behoort daar dus zelf ook toe. Vervolgens wordt dezelfde gedachte toegespitst op het menselijke domein, wanneer Laozi zegt dat ook de Wijze de mensen als honden van stro behandelt. Zo vertaalt Jaap Voigt de passage. Wie deze woorden met moderne oren leest, kan gemakkelijk onverschilligheid of zelfs wreedheid horen. Het lijkt alsof Laozi zegt dat het bestaan niets om ons geeft en dat ook de mens, als een van de tienduizend dingen, uiteindelijk niet meer waard is dan een bundel stro.

 

Toch verwijst het beeld naar iets veel subtielers. Voigt vertelt in zijn toelichting dat bij begrafenissen zorgvuldig gemaakte honden van stro werden meegedragen. Zij vervulden binnen het ritueel een bepaalde functie en werden daarna vertrapt wanneer die functie was afgelopen. Vanuit het perspectief van Hemel en Aarde worden volgens zijn uitleg ook de tienduizend dingen geboren en sterven zij weer. Zij verschijnen, vervullen hun plaats en verdwijnen.

 

Daarmee verliest de strohond zijn betekenis niet. Juist tijdens het ritueel heeft hij betekenis. Alleen bezit hij die betekenis niet uit zichzelf. Hij krijgt zijn plaats binnen een groter gebeuren dat hij niet zelf heeft voortgebracht en dat hij evenmin kan vasthouden wanneer het voorbij is.

 

Precies daarin schuilt voor mij de filosofische kracht van dit beeld. De strohond wordt niet vernederd doordat hij van stro is. De vergissing zou pas ontstaan wanneer hij zijn tijdelijke vorm als een zelfstandig en blijvend bezit zou gaan beschouwen. Wat verschijnt, kan werkelijk betekenis dragen zonder daarmee de oorsprong van zichzelf te worden.

 

Die gedachte raakt aan een hardnekkige overtuiging binnen de westerse cultuur. Eeuwenlang werd de mens verstaan vanuit een door God verleende uitzonderingspositie. Hij vormde de kroon op de schepping en bezat een bestemming die hem onderscheidde van de rest van de natuur. Het moderne humanisme heeft veel van dat religieuze wereldbeeld achter zich gelaten, maar het heeft de uitzonderingspositie van de mens niet werkelijk opgegeven. Het heeft haar vooral verplaatst.

 

De mens hoefde niet langer voor God te knielen en ging vervolgens voor zichzelf knielen. Het autonome individu werd de nieuwe oorsprong. De mens zou zichzelf kunnen bepalen en door kennis en rede steeds meer greep kunnen krijgen op zijn bestaan. Vrijheid werd vooral begrepen als zelfbeschikking, terwijl vooruitgang steeds sterker verbonden raakte met beheersing van natuur, samenleving en uiteindelijk ook van de mens zelf.

 

John Gray heeft deze menselijke zelfoverschatting scherp bekritiseerd in zijn boek Straw Dogs. Volgens hem heeft het moderne humanisme de religieuze uitzonderingspositie van de mens niet werkelijk opgegeven, maar in seculiere vorm voortgezet. Niet God, maar menselijke rede, wetenschap en techniek zouden ons voortaan boven onze natuurlijke conditie uittillen en de toekomst beheersbaar maken. We erkennen inmiddels dat wij dieren zijn, maar blijven ons gedragen alsof voor ons andere regels gelden. Juist daarin ziet Gray de hardnekkigheid van het vooruitgangsgeloof.

 

Op dit punt raakt Gray mijn eigen kritiek op het humanisme. Want hoeveel van wat wij autonomie noemen, ontstaat werkelijk uit onszelf. Wij kiezen niet waar of wanneer wij geboren worden, noch ons lichaam, onze aanleg of onze vroegste ervaringen. Zelfs gedachten dienen zich aan voordat wij kunnen besluiten welke gedachte wij zouden willen denken. Vanuit mijn veldfilosofie vormt de mens dan ook geen zelfstandig beginsel dat eerst bestaat en zich vervolgens tot de werkelijkheid verhoudt. Hij verschijnt altijd al binnen een werkelijkheid die hem draagt, doordringt en mede vormt. Het persoonlijke bewustzijn bestaat niet buiten het universele bewustzijn om daarna contact met dat bewustzijn te zoeken. Het vormt er een tijdelijke en concrete verschijningswijze van.

 

Daarmee krijgt ook de strohond een andere diepte. Het persoonlijke bewustzijn vormt geen waardeloos bijproduct dat na korte tijd weer kan worden opgeruimd. Zoals de strohond binnen het ritueel werkelijk betekenis draagt, zo draagt ook het persoonlijke bestaan werkelijk betekenis. Er wordt ervaren, geleden, liefgehad, gedacht en verlangd. Alleen volgt uit die intensiteit niet dat ergens een autonoom ik moet bestaan dat daarvan de oorsprong en eigenaar vormt.

 

Het ik emergeert binnen de ervaring. Het brengt samenhang aan tussen wat zich aandient, wat wordt herinnerd en wat als mogelijkheid verschijnt. Daardoor kan een betrekkelijk stabiele persoon ontstaan die zichzelf door de tijd heen herkent. De vergissing begint wanneer dit emergente ordeningspunt zichzelf gaat verstaan als een zelfstandige instantie die het denken voortbrengt en het leven bestuurt. Daar ontstaat wat ik ego annexatie noem. Wat binnen een groter verband verschijnt, wordt toegeëigend als mijn gedachte, mijn keuze, mijn prestatie en uiteindelijk mijn leven.

 

De strohond maakt die vergissing bijna zichtbaar. Hij zou zich vergissen wanneer hij meende dat zijn rituele betekenis uit hemzelf voortkwam. Nog sterker zou hij zich vergissen wanneer hij verlangde dat zijn tijdelijke vorm voor altijd behouden bleef. Vanuit dat perspectief krijgt ook het transhumanisme iets merkwaardigs. Het autonome subject wil zichzelf inmiddels niet alleen besturen, maar ook verbeteren, zijn levensduur verlengen en zich technisch optimaliseren. De strohond probeert als het ware zijn stro te perfectioneren en zijn tijdelijke gestalte permanent te maken.

 

Hier scheiden mijn wegen zich van die van Gray. Ik deel zijn onttroning van de autonome mens, maar niet de gedachte dat daarmee ook betekenis haar grond verliest. Dat de mens geen zelfstandig centrum van de werkelijkheid vormt, maakt hem binnen mijn filosofie niet minder betekenisvol. Zijn betekenis hangt juist samen met zijn ontvankelijkheid. In het persoonlijke bewustzijn verschijnt de werkelijkheid op een begrensde en unieke wijze. Er wordt iets hoorbaar, zichtbaar, denkbaar en voelbaar wat zonder deze concrete verschijningsvorm niet op precies dezelfde wijze zou verschijnen.

 

Ook de ethiek verandert wanneer het autonome subject zijn centrale positie verliest. Wanneer de mens zichzelf als oorsprong van zijn handelen begrijpt, ligt het voor de hand dat hij verantwoordelijkheid vooral opvat als het vermogen om zelfstandig te bepalen wat goed is. Wanneer die autonomie wordt losgelaten, hoeft ethiek echter niet te verdwijnen. Zij kan een andere grond krijgen. Daarom spreek ik liever over responsiviteit. De vraag luidt dan niet langer hoe ik vanuit mijn zelfstandige wil de werkelijkheid naar mijn hand moet zetten, maar hoe ontvankelijk ik kan zijn voor wat zich in mijn verhouding tot die werkelijkheid aandient.

 

Voigt raakt in zijn uitleg opmerkelijk dicht aan deze gedachte wanneer hij schrijft over de mens als instrument van het Dao. Hij beschrijft de daoïstische vraag als de vraag hoe iemand zijn persoonlijkheid kan inschakelen als instrument van het Dao. Daarmee verschijnt de persoonlijkheid niet als iets wat moet verdwijnen, maar als iets wat zijn betekenis juist vindt doordat het niet langer zichzelf als oorsprong beschouwt.

 

Daarmee verandert de strohond uiteindelijk van een somber in een bevrijdend beeld. Wij hoeven niet het middelpunt van het bestaan te zijn om betekenis te hebben. Wij hoeven onszelf niet als oorsprong van ons denken te beschouwen om te kunnen denken. Wij hoeven onze tijdelijke vorm niet eeuwig te maken om haar werkelijk te kunnen bewonen.

 

Misschien ligt precies daar de diepste verwantschap tussen het taoïsme en mijn eigen denken. Hemel en Aarde hoeven ons niet uit te kiezen, te beschermen of te belonen om ons bestaan mogelijk te maken. Tussen Hemel en Aarde verschijnen de tienduizend dingen en verdwijnen zij weer. In mijn eigen woorden zou ik zeggen dat het universele bewustzijn zich telkens opnieuw concretiseert zonder een van zijn verschijningsvormen tot absoluut middelpunt te verheffen.

 

De mens verschijnt daarin als Geworpene. Hij heeft zichzelf niet in het bestaan geplaatst. Zijn lichaam, zijn tijd, zijn mogelijkheden en zijn omstandigheden treft hij aan. Evenmin beschikt hij uiteindelijk over het moment waarop hij als Onttrokkene weer uit het bestaan verdwijnt. Tussen die beide gebeurtenissen ontvouwt zich het persoonlijke leven.

 

De mens is dan inderdaad een straw dog, maar niet omdat hij niets voorstelt. Hij is het omdat zijn betekenis verschijnt binnen een groter gebeuren dat hij niet zelf heeft voortgebracht en niet kan bezitten. Als Geworpene ontvangt hij een tijdelijke vorm waarin de werkelijkheid op een unieke manier verschijnt. Als Onttrokkene verliest hij uiteindelijk ook die vorm weer. Misschien begint werkelijke vrijheid daarom niet bij autonomie, maar bij het besef dat wij ons bestaan ontvangen zonder er ooit de eigenaar van te worden.

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe

Ontvang automatisch mijn blogs

© 2020 by Marc Cornelisse. Proudly created with Wix.com

bottom of page