Tussen hemel en aarde
Veel mensen zeggen dat er meer tussen hemel en aarde bestaat dan wij kunnen waarnemen. Daarmee bedoelen zij niet altijd dat zij in God, geesten of een leven na de dood geloven. Vaak verwoorden zij slechts het vermoeden dat de waarneembare werkelijkheid niet alles omvat wat zij ervaren.
De voorstellingen waarin dit vermoeden verschijnt, verschillen sterk. Religies spreken over goden, openbaring en eeuwigheid. Filosofische tradities spreken over het Goede, de geest of een dragende orde. Andere mensen spreken liever over verbondenheid, bestemming of een groter geheel. De woorden veranderen, maar de gerichtheid op een diepere betekenis, richting of samenhang blijft bestaan.
Waar komt deze geloofsdrang vandaan?
De geloofsdrang valt niet samen met een bepaalde geloofsovertuiging. Een overtuiging bevat al concrete voorstellingen over God, een leven na de dood of de bedoeling van het bestaan. Cultuur en opvoeding bepalen mede welke vorm zulke voorstellingen krijgen. Iemand die binnen een christelijke omgeving opgroeit, gebruikt andere woorden dan iemand die binnen een hindoeïstische of seculiere omgeving leeft. Daarmee blijft echter onverklaard waarom mensen überhaupt naar zulke voorstellingen zoeken.
Psychologische verklaringen wijzen op angst voor de dood, behoefte aan troost, verlangen naar controle en behoefte aan verbondenheid. Evolutionaire verklaringen wijzen op groepsvorming, patroonherkenning en de neiging om achter gebeurtenissen een bedoeling te vermoeden. Deze verklaringen maken begrijpelijk waarom geloof bescherming kan bieden en waarom bepaalde overtuigingen zich verspreiden.
Waarom kan de mens de werkelijkheid überhaupt als betekenisvol,
richtinggevend of gedragen ervaren?
Behoefte aan troost kan verklaren waarom iemand een troostende gedachte omarmt, maar niet waarom troost, betekenis en gedragenheid als werkelijke kwaliteiten binnen de ervaring kunnen verschijnen. De geloofsdrang kan daarom niet alleen iets zeggen over de functie en de vorm van geloof, maar ook over de structuur van de menselijke ervaring zelf.
Uit de geloofsdrang volgt niet dat God bestaat. Evenmin bewijst zij een leven na de dood, een kosmische bedoeling of een universeel bewustzijn. Mensen kunnen zich vergissen. Zij kunnen hun verlangens op de werkelijkheid projecteren en toevallige gebeurtenissen als tekens uitleggen. De geloofsdrang levert daarom geen deductief bewijs. Een deductieve bewijsvoering zou vanuit zekere uitgangspunten tot een noodzakelijke conclusie leiden. Zo’n conclusie kunnen we hier niet trekken.
De geloofsdrang kan wel een rol spelen binnen een abductieve bewijsvoering. Bij abductie zoeken we naar de verklaring die een verzameling verschijnselen het meest samenhangend begrijpelijk maakt. We vragen dan niet welke conclusie onvermijdelijk volgt, maar welke hypothese het beste verklaart wat we aantreffen.
Een arts gebruikt vaak een vergelijkbare redenering. Eén klacht bewijst geen ziekte. Een samenhangend patroon van klachten, onderzoeksgegevens en veranderingen kan een bepaalde diagnose echter waarschijnlijker maken dan concurrerende verklaringen. De diagnose blijft herzienbaar, maar zij krijgt overtuigingskracht doordat zij verschillende gegevens vanuit één oorzaak begrijpelijk maakt.
Op dezelfde manier bewijst de geloofsdrang op zichzelf geen transcendente ontvankelijkheid. Zij kan wel onderdeel vormen van een breder ervaringspatroon waarvoor transcendente ontvankelijkheid een mogelijke verklaring biedt.
De geloofsdrang staat namelijk niet op zichzelf. Binnen hun ervaring treffen mensen voortdurend gedachten, betekenissen en richtingen aan die zij niet bewust hebben voortgebracht. Een inzicht kan zich plotseling aandienen nadat iemand lange tijd zonder resultaat over een probleem heeft nagedacht. Tijdens het schrijven kan onverwacht een formulering opkomen die niet vooraf was bedacht. Iemand kan opeens beseffen wat hem te doen staat. Een gewetensimpuls kan verschijnen voordat iemand bewust argumenten heeft afgewogen. Ook een ontmoeting kan onverwacht een betekenis krijgen die geen van de betrokkenen bewust heeft aangebracht.
De ethische ervaring past eveneens binnen dit patroon. De kwetsbaarheid en waardigheid van de ander kunnen zich in een concrete situatie onmiddellijk als betekenisvol aandienen en al tot een passend antwoord bewegen voordat het ik bewust een regel heeft geraadpleegd. Ethisch handelen ontstaat dan niet in de eerste plaats uit gehoorzaamheid aan een norm, maar uit de ontvankelijkheid waardoor de kwetsbaarheid en waardigheid van de ander kunnen doordringen. Regels kunnen het handelen nog ondersteunen en corrigeren wanneer deze responsiviteit tekortschiet, maar zij vormen niet de oorsprong van het ethische antwoord.
De mate waarin betekenis verschijnt, kan bovendien veranderen. Tijdens een depressie kan dezelfde wereld zichtbaar blijven, terwijl haar betekenis, samenhang en toekomstgerichtheid sterk afnemen. Tijdens een hypomane of manische periode kunnen juist buitengewoon veel verbanden, mogelijkheden en betekenissen verschijnen. De waarneembare omgeving verandert daarbij niet noodzakelijk in dezelfde mate als de ervaren betekeniswereld.
Dementie maakt deze samenhang nog scherper zichtbaar. Vooral bij vergevorderde dementie kunnen actuele zintuiglijke gegevens blijven binnenkomen, terwijl herkenning, betekenis, temporele samenhang en persoonlijke continuïteit steeds verder afnemen. Iemand kan nog zien, horen en voelen, maar kan wat hij waarneemt steeds moeilijker met personen, herinneringen en situaties verbinden. Binnen de hypothese vormt dementie daarom een grensgeval waarin de transcendente ontvankelijkheid sterk afneemt, terwijl de zintuiglijke ontvankelijkheid betrekkelijk werkzaam blijft. Het model vervangt daarmee geen neurologische verklaring van dementie, maar maakt begrijpelijk waarom de waarneembare wereld aanwezig kan blijven terwijl zij steeds minder als één betekenisvolle en persoonlijke werkelijkheid verschijnt.
Deze verschijnselen verschillen inhoudelijk sterk, maar raken aan dezelfde vraag. Hoe kunnen betekenis, waarde, richting en samenhang zich binnen de ervaring aandienen, afnemen of zich in overvloed opdringen zonder dat het bewuste ik dit proces beheerst? In al deze gevallen verandert de betekenisvolle ordening van de ervaring zonder dat het ik deze verandering bewust voortbrengt. Binnen die ervaring emergeert het ik als het ordeningspunt dat wat verschijnt met de eigen persoon, levensgeschiedenis en situatie verbindt.
We kunnen ieder verschijnsel afzonderlijk verklaren. Creativiteit kan voortkomen uit onbewuste hersenprocessen. Ethische gevoeligheid en gewetensvorming kunnen mede ontstaan door opvoeding, sociale normen en empathische ontwikkeling. Geloof kan samenhangen met angst voor de dood, behoefte aan troost en verlangen naar verbondenheid. Depressie en manie kunnen worden verklaard vanuit veranderingen in hersenactiviteit, terwijl dementie samenhangt met neurologische achteruitgang. Zulke verklaringen blijven noodzakelijk. Toch blijft de vraag of deze verschijnselen daarnaast een gemeenschappelijk patroon zichtbaar maken. Misschien bezit de menselijke ervaring een ontvankelijkheid waardoor betekenis, waarde, richting en samenhang kunnen verschijnen en waardoor zintuiglijke gegevens in een herkenbare en persoonlijke samenhang kunnen worden opgenomen. Die mogelijkheid noem ik transcendente ontvankelijkheid.
De hypothese stelt niet dat iedere gedachte uit een hogere werkelijkheid komt. Zij verklaart evenmin iedere overtuiging als een openbaring. Zij stelt alleen dat de menselijke ervaring niet uitsluitend bestaat uit wat de zintuigen actueel ontvangen en wat het bewuste ik vervolgens produceert. Via de transcendente ontvankelijkheid kunnen mogelijkheden van betekenis, waarde, richting en samenhang binnen een concrete ervaring actualiseren. Het lichaam, het brein, de levensgeschiedenis, de cultuur en de actuele situatie bepalen mede welke vorm zij krijgen. Daardoor verschijnt nooit een zuivere, algemene betekenis. Er verschijnt altijd een persoonlijke gedachte, een concreet inzicht, een bepaalde gewetensimpuls of een specifiek gevoel van verbondenheid.
Deze hypothese maakt begrijpelijk waarom de mens zichzelf vaak als maker ervaart, terwijl hij de oorsprong van wat hij denkt en voelt maar gedeeltelijk kent. Het ik ordent wat binnen de ervaring verschijnt en eigent het zich toe. Daardoor spreekt iemand over mijn inzicht, mijn keuze en mijn geloof. Uit deze toe-eigening volgt echter niet dat het ik ook de oorsprong vormt van wat zich aandient.
De geloofsdrang krijgt binnen deze hypothese een specifieke betekenis. Zij kan ontstaan doordat de mens binnen zijn ervaring betekenis, waarde, richting en samenhang aantreft die niet volledig uit de actuele zintuiglijke gegevens kunnen worden afgeleid. Hun oorsprong kan binnen de concrete ervaring niet afzonderlijk worden aangewezen. Daardoor kan het vermoeden ontstaan dat de waarneembare werkelijkheid niet de gehele werkelijkheid omvat.
De uitspraak dat er meer tussen hemel en aarde bestaat, kan een onvolmaakte verwoording van deze ervaringsstructuur vormen. De mens neemt geen afzonderlijke transcendente werkelijkheid waar, maar merkt dat de actuele zintuiglijke gegevens niet alles lijken te verklaren wat binnen zijn ervaring verschijnt. Religies en wereldbeelden geven vervolgens namen en voorstellingen aan dit oorspronkelijke vermoeden.
De geloofsdrang vormt op zichzelf geen bewijs voor transcendente ontvankelijkheid. Haar bewijskracht ontstaat doordat dezelfde hypothese ook andere verschijnselen vanuit één grondstructuur begrijpelijk maakt. Zij verbindt het verschijnen van inzichten, ethische betekenis en handelingsmogelijkheden met veranderingen in betekenisbeleving bij depressie, manie en dementie. In al deze gevallen bepaalt het bewuste ik niet zelf hoe betekenis, waarde, richting en samenhang verschijnen, afnemen of zich in overvloed opdringen.
Daarin ligt de abductieve kracht van de hypothese. Zij voert niet voor ieder verschijnsel een afzonderlijk beginsel in, maar brengt uiteenlopende ervaringen met een beperkt aantal samenhangende begrippen met elkaar in verband. Deze theoretische eenvoud bewijst haar waarheid niet. Zij vergroot wel haar overtuigingskracht wanneer de hypothese het gehele patroon nauwkeuriger verklaart dan concurrerende theorieën.
De hypothese moet daarom herkenbare verwachtingen opleveren. Een afname van transcendente ontvankelijkheid zou moeten samengaan met verlies van betekenis, samenhang, betrokkenheid en toekomstmogelijkheden. Een te sterke of instabiele openheid zou juist moeten samengaan met een overvloed aan associaties, betekenissen en handelingsmogelijkheden. Bij een evenwichtige ontvankelijkheid zouden betekenis en concrete werkelijkheid elkaar blijven begrenzen, corrigeren en versterken.
Wanneer deze samenhangen systematisch uitblijven of wanneer neurologische, psychologische en culturele verklaringen het gehele patroon eenvoudiger en nauwkeuriger verklaren, verliest de hypothese haar overtuigingskracht. Zij mag zich daarom niet tegen mogelijke weerlegging beschermen. Juist doordat zij kan worden vergeleken, onderzocht en zo nodig herzien, krijgt haar abductieve bewijsvoering filosofische betekenis.
De geloofsdrang laat niet zien waarin wij moeten geloven en evenmin welke religie gelijk heeft. Zij kan wel wijzen op een ontvankelijke structuur waarin de werkelijkheid niet alleen als waarneembaar, maar ook als betekenisvol, waardevol en richtinggevend verschijnt. De mens vormt dan niet uitsluitend de maker van betekenis, maar ook de plaats waar betekenis kan verschijnen.
Misschien zegt de mens daarom al eeuwen dat er meer tussen hemel en aarde bestaat. Hij beschikt niet over rechtstreeks bewijs van dat meerdere, maar ervaart wel voortdurend dat de waarneembare werkelijkheid niet alles verklaart wat binnen zijn ervaring verschijnt. Doordat de hypothese van transcendente ontvankelijkheid bovendien een samenhangende verklaring biedt voor geloofsdrang, inzicht, ethische ervaring, depressie, manie en dementie, wint zij aan abductieve kracht en aannemelijkheid.
Wil je weten hoe deze hypothese verder wordt uitgewerkt en welke verschijnselen
zij nog meer kan verklaren? Lees dan het essay De reikwijdte van mijn filosofie.
Opmerkingen