Van uitbuiter tot beheerder
- Marc Cornelisse
- 3 dagen geleden
- 10 minuten om te lezen
Waarom onze verhouding tot de aarde niet wezenlijk verandert.
In een toxische relatie kan een dominante echtgenoot zijn vrouw jarenlang in een ondergeschikte positie plaatsen. Hij bepaalt wat er gebeurt, wat redelijk is en hoeveel ruimte zij krijgt. Wanneer zij door die verhouding psychisch gekrenkt raakt en dit uiteindelijk kenbaar maakt, verandert zijn houding. Hij verklaart zich bereid om samen met haar naar oplossingen voor haar problemen te zoeken. Op het eerste gezicht lijkt daarmee veel gewonnen. Hij luistert meer, spreekt zorgzamer en presenteert zich niet langer uitsluitend als degene die beslist. Toch verandert de aard van de relatie daardoor nog niet wezenlijk. Zolang hij haar kwetsuur vooral beschouwt als haar probleem dat moet worden opgelost, zonder zijn eigen machtspositie ter discussie te stellen, houdt hij de regie. Hij bepaalt nog steeds binnen welk kader het gesprek plaatsvindt, welke oplossing redelijk is en hoever de verandering mag gaan.
In termen van de transactionele analyse verschuift hij dan van de Kritische Ouder naar de Voedende Ouder. Zijn toon verandert, maar hij houdt zijn vrouw in de Kindpositie. Werkelijke verandering ontstaat pas wanneer hij haar ervaring als gelijkwaardig en richtinggevend erkent, zich door haar laat corrigeren en zijn machtspositie opgeeft. Dan ontstaat werkelijk een gelijkwaardige verhouding van Volwassene tot Volwassene.
Hetzelfde geldt voor onze verhouding tot de aarde. Eerst trad de mens op als uitbuiter. Nu de aarde ernstig is aangetast, promoveert hij zichzelf tot beheerder en verklaart hij zich bereid om oplossingen te zoeken. Toch blijft hij meestal zelf bepalen wat het probleem is, welke schade nog aanvaardbaar blijft en welke maatregelen binnen zijn bestaande economie en levenswijze passen. De toon wordt zorgzamer, maar de structuur van de relatie blijft intact. De mens blijft boven de aarde staan en behoudt het recht om de voorwaarden van haar herstel vast te stellen. Hij denkt daarmee zijn verhouding tot de aarde te hebben herzien, terwijl hij zichzelf slechts een moreel aantrekkelijkere functie binnen dezelfde verhouding heeft toebedeeld.
De ecologische crisis verschijnt meestal als een verzameling concrete problemen. De aarde warmt op, soorten verdwijnen, bodems raken uitgeput en grondstoffen worden schaarser. Voor ieder probleem zoeken wij een passende oplossing. Wij bouwen windmolens, ontwikkelen schonere technieken, herstellen natuur en sluiten internationale verdragen. Toch blijven de resultaten achter bij wat noodzakelijk is. Misschien ligt dat niet alleen aan een gebrek aan politieke wil, geld of technische mogelijkheden. Een uitspraak die vaak aan Einstein wordt toegeschreven, verwoordt het probleem kernachtig. Problemen kunnen niet worden opgelost binnen hetzelfde denkkader waarin zij zijn ontstaan. Mogelijk zoeken wij onze oplossingen binnen hetzelfde mensbeeld dat de problemen heeft voortgebracht. Dat mensbeeld bepaalt niet alleen onze persoonlijke houding tegenover de aarde. Het ligt ook besloten in onze economie, ons eigendomsrecht, onze techniek, onze staatsinrichting en onze opvattingen over groei, vrijheid en verantwoordelijkheid. Wij veranderen onze middelen, terwijl de grondslagen van ons handelen grotendeels dezelfde blijven.
In zijn boek Blijf de aarde trouw onderzoekt filosoof Henk Manschot hoe de ecologische crisis ons dwingt opnieuw na te denken over de verhouding tussen mens en aarde. Daarbij brengt hij verschillende denkers bijeen die deze ontregeling ieder op hun eigen wijze duiden. Lovelock beschreef met Gaia de aarde als een samenhangend en zelfregulerend systeem. Crutzen, Steffen en McNeill maakten met het begrip Antropoceen zichtbaar dat de mens tot een geologische kracht is geworden en onderscheidden binnen dit tijdperk drie fasen. Stengers verbaast zich erover dat de moderne cultuur ons nauwelijks op deze situatie heeft voorbereid. Sloterdijk maakt de aarde tot bron van een categorische imperatief, terwijl Nietzsche de mens de ziekte van de aarde noemde. Hun diagnoses zijn indringend, maar zij roepen ook de vraag op of zij de mens nog te gemakkelijk tegenover de aarde plaatsen.
De derde fase is al begonnen
De eerste fase van het Antropoceen begon rond 1800 met de industrialisering. Na 1945 volgde de Grote Versnelling, waarin productie, consumptie, technologie en grondstoffengebruik explosief toenamen. Rond 1990 begon de derde fase. De mens werd zich toen steeds sterker bewust van zijn invloed op het systeem aarde en probeerde daarop te reageren met klimaatonderzoek, internationale afspraken en nieuwe vormen van milieubeleid.
Die bewustwording vormt echter nog geen werkelijke ommekeer. De beslissende vraag luidt vanuit welk mensbeeld deze derde fase gestalte krijgt. Vanuit mijn filosofie krijgt zij pas een werkelijk nieuw karakter wanneer de mens zichzelf niet langer als oorsprong en middelpunt beschouwt, maar als Geworpene binnen een samenhang die hem voorafgaat, draagt en begrenst.
Groene groei en circulariteit ontwijken de vraag naar genoeg
Groene groei en circulaire economie beloven dat productie en consumptie kunnen blijven toenemen wanneer energie schoner wordt, grondstoffen efficiënter worden gebruikt en materialen opnieuw worden ingezet. Daarmee verminderen zij verspilling en milieuschade, maar zij doorbreken de groeilogica niet. Een elektrische auto vraagt nog steeds metalen, wegen, ruimte en energie. Niet ieder materiaal kan volledig worden teruggewonnen en iedere kringloop vraagt opnieuw energie en grondstoffen. Wanneer productie en consumptie blijven groeien, kan die groei de behaalde winst weer tenietdoen. De middelen veranderen, maar uitbreiding blijft het doel.
Vanuit mijn filosofie ontbreekt hier de vraag naar maat. De mens vormt geen autonoom wezen dat zichzelf door steeds meer bezit, mobiliteit en keuzemogelijkheden moet verwezenlijken. Hij verschijnt binnen een dragende samenhang die ook aan zijn eigen bestaan grenzen stelt. Dat vraagt niet alleen om matiging van individuele verlangens, maar ook om een economie die een lagere productie, een langere levensduur van producten, onderhoud, herstel en duurzaamheid bevordert. Zij beschouwt voortdurende uitbreiding dan niet langer als teken van vooruitgang en durft te erkennen wanneer genoeg werkelijk genoeg is.
Techniek bestrijdt de gevolgen van techniek
Techniek vormt op zichzelf niet het probleem. Zij wordt problematisch wanneer iedere ecologische verstoring onmiddellijk wordt vertaald in een nieuw beheersingsvraagstuk. De aarde warmt op, dus wij vangen koolstof af. De bodem verarmt, dus wij verfijnen de bemesting. Water wordt schaars, dus wij ontzilten zeewater. Zulke oplossingen kunnen schade beperken, maar zij maken ook de voortzetting van dezelfde productie en levenswijze mogelijk. De techniek corrigeert dan de gevolgen van beheersing zonder de beheersingslogica zelf te doorbreken.
Vanuit mijn filosofie vormt techniek geen uitbreiding van menselijke soevereiniteit, maar een mogelijke respons op wat zich binnen de gedeelde samenhang aandient. Technisch succes kan daarom niet alleen worden afgemeten aan de oplossing van één afzonderlijk probleem. Een toepassing moet ook worden beoordeeld op haar invloed op ecologische samenhang, draagkracht en toekomstige afhankelijkheden. Techniek blijft noodzakelijk, maar zij moet haar richting niet langer ontlenen aan wat de mens kan beheersen. Zij moet haar maat vinden in wat de aarde kan dragen.
De markt herkent vooral prijzen
Belastingen, emissierechten en financiële prikkels kunnen gedrag beïnvloeden. Toch vertaalt de markt ecologische waarde in dezelfde taal waarmee de natuur eerder tot grondstof werd gereduceerd. Een bos krijgt waarde omdat het koolstof opslaat, water vasthoudt of economische schade voorkomt. Wanneer een gebied verdwijnt, kan herstel elders vervolgens als compensatie gelden. De berekening behandelt beide plaatsen als uitwisselbaar, terwijl hun concrete betekenis verloren gaat.
Vanuit mijn filosofie verschijnt waarde niet pas nadat zij economisch meetbaar is geworden. De zintuiglijke ontvankelijkheid maakt het mogelijk een bos, rivier of landschap waar te nemen. De transcendente ontvankelijkheid opent voor samenhang, richting en waarde. Pas in de interferentie van beide ontstaat de ervaring waarin een concrete plaats als betekenisvol en onvervangbaar kan verschijnen. De economie kan die ervaren waarde beschermen en ondersteunen, maar zij kan haar niet voortbrengen of volledig in geld uitdrukken. De markt kan een prijs vormen, maar niet bepalen welke waarde een bos, rivier of landschap heeft. Daarom moet economische waardering zich richten naar wat in ervaring als waardevol verschijnt, en niet omgekeerd.
De consument krijgt een onmogelijke opdracht
Veel beleid spreekt het autonome individu rechtstreeks aan. De burger moet minder vliegen, anders eten en duurzamer kopen. Zulke keuzes kunnen zinvol zijn, maar woningen, arbeidsverhoudingen, infrastructuur en prijzen hebben het speelveld al grotendeels gevormd. De consument moet met zijn individuele keuzes corrigeren wat door collectieve keuzes structureel is vastgelegd.
Ook het gangbare ideaal van authenticiteit versterkt deze consumptielogica. De mens zou beschikken over een uniek innerlijk zelf dat hij door persoonlijke voorkeuren en keuzes tot uitdrukking brengt. Producten, reizen en levensstijlen worden zo middelen waarmee het ik zichzelf vormgeeft en bevestigt. Vanuit mijn filosofie bestaat echter geen zelfstandig innerlijk zelf dat los van zijn omgeving bepaalt wie het is. Authentiek zijn betekent dat iemand bewust en doorleefd aanwezig is in wat zich via hem voltrekt. Authenticiteit vraagt dan niet om steeds nieuwe vormen van zelfexpressie, maar om ontvankelijkheid voor de omstandigheden, relaties en gevolgen die in het handelen meeklinken. De behoefte om identiteit door consumptie te bevestigen, verliest daarmee haar vanzelfsprekendheid.
Meer kennis brengt niet vanzelf verandering
Rapporten, grafieken en rampscenario’s berusten vaak op de verwachting dat meer kennis vanzelf tot ander handelen leidt. Mensen kunnen de feiten echter kennen zonder dat deze werkelijk deel worden van hun ervaring. Abstracte kennis blijft gemakkelijk naast het dagelijkse leven staan. Een voortdurende stroom van dreigende informatie kan bovendien gewenning, moedeloosheid of machteloosheid oproepen.
Voor verandering moet kennis daarom verbonden raken met concrete plaatsen, gevolgen en handelingsmogelijkheden. Onderwijs en publieke communicatie moeten niet alleen informeren, maar mensen ook helpen om ecologische veranderingen in hun eigen leefwereld te herkennen en daarop te antwoorden. Anders neemt de hoeveelheid kennis toe, terwijl betrokkenheid en handelen achterblijven.
Mondiale afspraken botsen op soevereiniteit
Klimaatverandering, aantasting van oceanen en verlies van biodiversiteit houden zich niet aan landsgrenzen. Toch moeten soevereine staten hierover afspraken maken. Iedere staat erkent het gezamenlijke probleem, maar bewaakt tegelijk zijn economische groei, energievoorziening en concurrentiepositie. Daarmee herhaalt zich op politiek niveau hetzelfde mensbeeld dat ook het autonome individu voortbrengt. De staat beschouwt zichzelf als een zelfstandig handelend centrum, terwijl hij feitelijk verschijnt binnen ecologische, economische en historische samenhangen die hem voorafgaan en voortdurend mede vormen.
Staten verschijnen als plaatselijke ordeningen binnen één gedeelde werkelijkheid, zoals het persoonlijke bewustzijn een gelokaliseerde ordening binnen een ruimer veld vormt. Hun grenzen organiseren het samenleven, maar zij begrenzen niet de samenhang waarin hun handelen doorwerkt. Mondiale afspraken moeten daarom de feitelijke ecologische verwevenheid van staten juridisch en institutioneel tot uitgangspunt nemen, in plaats van te berusten op hun vrijwillige bereidheid een deel van hun vrijheid op te geven.
Soevereiniteit kan daarom niet langer als uitgangspunt dienen. Staten behouden bestuurlijke zelfstandigheid, maar hun vrijheid bestaat niet uit zelfbeschikking tegenover andere staten en de aarde. Zij bestaat uit responsiviteit binnen de werkelijkheid waarvan zij afhankelijk zijn. Ook gevolgen die elders verschijnen, maken deel uit van dezelfde dragende samenhang en vragen daarom om een antwoord.
Het lokale bereikt het wereldtoneel nauwelijks
Manschot ziet in lokale culturen een tegenwicht tegen de uniformerende werking van globalisering. Een gemeenschap leeft altijd op een concrete plaats, binnen een bepaald landschap, klimaat, geschiedenis en netwerk van levensvormen. Juist daar kan een doorleefde betrokkenheid bij de aarde ontstaan. Toch blijft onduidelijk hoe zulke lokale gemeenschappen werkelijk invloed kunnen uitoefenen op mondiale besluitvorming.
Manschot verwacht veel van netwerken waarin lokale gemeenschappen zich van onderop verbinden en uiteindelijk ook op het wereldtoneel politieke betekenis krijgen. Maar wie spreekt namens een lokale cultuur, hoe worden vertegenwoordigers gekozen en hoe worden botsende lokale belangen met elkaar verzoend? Ook blijft onduidelijk hoe zulke netwerken voldoende tegenwicht kunnen bieden aan staten, multinationals en internationale financiële instellingen. Zonder een concrete institutionele vorm dreigt deze beweging van onderop een aantrekkelijk ideaal te blijven.
Bovendien garandeert plaatsgebondenheid geen ecologische openheid. Een gemeenschap kan haar industrie, landbouw of vertrouwde levenswijze beschermen en de gevolgen daarvan naar andere plaatsen verschuiven. Mijn begrip van gestolde patronen maakt zichtbaar hoe een traditie die ooit uit levende afstemming is ontstaan, zich kan blijven herhalen terwijl de omstandigheden veranderen.
Natuurrechten doorbreken de scheiding nog niet volledig
Door rivieren, bossen en ecosystemen rechten toe te kennen, erkent het recht dat de natuur meer vormt dan bezit of grondstof. Toch blijft deze erkenning binnen een menselijke rechtsorde plaatsvinden. Een rivier krijgt pas bescherming wanneer mensen haar vertalen naar de juridische categorie van een rechtspersoon en vertegenwoordigers aanwijzen die namens haar spreken. De mens blijft zo bepalen in welke vorm de natuur mag meetellen.
Vanuit mijn filosofie hoeft een rivier niet op een persoon te lijken om waarde te bezitten. Mens en rivier verschijnen binnen dezelfde dragende werkelijkheid, terwijl zij ieder hun eigen verschijningsvorm behouden. Het recht verleent de natuur daarom geen waarde, maar erkent een waarde die aan juridische erkenning voorafgaat. Vanuit de bewustzijnsethiek begint die erkenning niet bij een autonome keuze om de natuur waarde toe te kennen, maar bij de ontvankelijkheid waardoor haar waarde en kwetsbaarheid in de ervaring kunnen verschijnen. Natuurrechten krijgen pas werkelijk betekenis wanneer zij de menselijke beschikkingsmacht begrenzen.
Verantwoordelijkheid moet plaatsmaken voor responsiviteit
Klimaatbeleid spreekt consumenten, bedrijven en staten vaak aan alsof zij losstaande oorsprongen van hun handelen zijn en uit vrije wil voor een andere koers kunnen kiezen. Vanuit mijn filosofie vormt die vrije wil echter geen zelfstandige oorzaak. Keuzes ontstaan binnen causale lussen van economie, techniek, infrastructuur en instituties die geen enkele deelnemer afzonderlijk beheerst.
Responsiviteit biedt een ander uitgangspunt. Niemand veroorzaakt de ecologische crisis vanuit zichzelf, maar iedere deelnemer bevindt zich wel op een plaats waar een antwoord mogelijk wordt. Bestuurders kunnen grenzen stellen, bedrijven kunnen productieketens veranderen en burgers kunnen handelen binnen de mogelijkheden die hun omgeving biedt. De aandacht verschuift daarmee van schuld en morele veroordeling naar de vraag waar de samenhang kan worden veranderd zodat ander handelen werkelijk mogelijk wordt.
De derde fase vraagt om een ander mensbeeld
Lovelock, Crutzen, Steffen, McNeill, Stengers, Sloterdijk en Nietzsche hebben ieder iets wezenlijks gezien. Zij begrijpen dat de ecologische crisis geen afzonderlijk milieuprobleem vormt, maar onze verhouding tot de aarde ter discussie stelt. Toch ontsnappen hun formuleringen niet volledig aan het mensbeeld dat zij willen doorbreken. Lovelocks Gaia kan opnieuw verschijnen als een werkelijkheid tegenover de mens. Crutzen, Steffen en McNeill maken de mens eerst tot geologische kracht en vervolgens tot beheerder van het aardsysteem. Stengers verbaast zich erover dat de moderne cultuur de ecologische ontregeling nauwelijks heeft zien aankomen. Nietzsche maakt met zijn uitspraak over de zieke aarde de mens als soort tot het probleem. Sloterdijk zet een belangrijke stap door de aarde tot bron van een categorische imperatief te maken. Niet langer bepaalt de mens wat de aarde moet verdragen. De grenzen van de aarde krijgen zelf normatieve kracht en bepalen wat de mens nog kan doen. Toch blijft de verhouding hiërarchisch. Eerst plaatste de mens zichzelf boven de aarde en onderwierp hij haar aan zijn wil. Nu verschijnt de aarde als hogere instantie die de mens begrenst en tot aanpassing dwingt. De rangorde keert om, maar mens en aarde blijven als ongelijkwaardige partijen tegenover elkaar staan.
Daar ligt de beperking van deze benaderingen. Niet de mens als zodanig heeft de ecologische crisis veroorzaakt, maar een mensbeeld waarin hij zichzelf als autonoom, soeverein en beheersend centrum begrijpt. Vanuit datzelfde mensbeeld probeert hij nu de schade te herstellen. Hij promoveert zichzelf van uitbuiter tot beheerder, maar behoudt daarmee de machtspositie die aan beide rollen eigen is.
De huidige oplossingen zijn noodzakelijk, maar blijven ontoereikend zolang zij vooral de bestaande orde met groenere middelen voortzetten. De middelen veranderen dan sneller dan onze verhouding tot de aarde.
Mijn filosofie kiest een ander vertrekpunt. De mens vormt geen autonoom centrum tegenover de aarde, maar verschijnt als Geworpene binnen een samenhang die hem voorafgaat, draagt en begrenst. De aarde vormt daarom geen object dat hij eerst mocht uitbuiten en daarna moet redden. De nieuwe verhouding tot de aarde berust niet op beter sturen, maar op het hervinden van resonantie binnen de samenhang waarvan mens en aarde deel uitmaken. In die resonantie worden de veranderingen van de aarde niet alleen waargenomen, maar ook ervaren als een begrenzing van ons handelen en als een appel om te antwoorden. Daaruit kan responsiviteit ontstaan zonder dat de mens zichzelf opnieuw tot beheerder, redder of geneesheer verheft.
De derde fase is historisch al begonnen, maar wordt pas een werkelijke ommekeer wanneer de mens begrijpt dat ook de functie van beheerder hem nooit heeft toebehoord. Zoals de dominante echtgenoot uit de inleiding zijn machtspositie niet opgeeft door zich zorgzamer op te stellen, zo verandert ook onze verhouding tot de aarde niet zolang de mens blijft bepalen wat zij nodig heeft en hoe zij moet worden hersteld. Pas wanneer de samenhang waarvan de mens deel uitmaakt in hem kan resoneren en in zijn handelen kan doorwerken, neemt ook de effectiviteit van onze maatregelen werkelijk toe.
De mens vormt dan niet de ziekte van de aarde en evenmin haar geneesheer. Hij wordt een plaats waar de toestand van de aarde ervaarbaar wordt, betekenis krijgt en om een antwoord vraagt.
Opmerkingen