top of page

Verbeeldingslast

De mens lijdt het meest door het lijden dat hij vreest.

 

Deze oude spreuk zegt meer dan zij op het eerste gezicht lijkt te zeggen. Zij wijst op een eigenaardig vermogen van de mens. Hij kan lijden aan iets wat nog niet gebeurt. Dat klinkt ook door in uitdrukkingen als zich zorgen maken over de dag van morgen, beren op de weg zien en duizend doden sterven voordat er iets gebeurt. De toekomst vindt nog niet plaats, maar de verbeelding ervan werkt al in het actuele NU. Dat is anticipatie.

 

Maar hetzelfde gebeurt in omgekeerde richting. De mens kan ook lijden aan iets wat niet meer gebeurt. Dat klinkt door in uitdrukkingen als oude koeien uit de sloot halen, blijven hangen in het verleden en blijven malen over wat gebeurd is. Het verleden keert niet terug als werkelijkheid, maar de verbeelding ervan wordt opnieuw lichamelijk en betekenismatig gedragen. Dat is reflectie.

 

In zulke uitdrukkingen bewaart de taal een diepe ervaringskennis. De mens lijdt niet alleen aan wat zich in het huidige moment aandient. Hij kan ook lijden aan wat hij zich verbeeldt vanuit toekomst en verleden. Precies daar begint de vraag wat anticipatie en reflectie eigenlijk zijn, en waarom zij het actuele NU zo zwaar kunnen belasten.

 

Want de mens leeft uitsluitend in momentane ervaring. Wat wij toekomst noemen, is nog niet aanwezig. Wat wij verleden noemen, is niet meer aanwezig. Toch kunnen toekomst en verleden in het actuele NU krachtig werkzaam worden. Zij verschijnen niet als werkelijkheid, maar als verbeelding. Precies daarin ligt een van de meest verfijnde en tegelijk meest kwetsbare mogelijkheden van het menselijk bewustzijn.

 

Anticiperen en reflecteren behoren tot de vermogens waardoor de mens zich niet opsluit in onmiddellijke prikkels. De mens kan vooruitgrijpen op wat mogelijk komt en terugkeren naar wat voorbij is. Daardoor kan hij plannen, leren, zich oriënteren en betekenis laten rijpen. Zonder anticipatie zou er geen voorbereiding zijn. Zonder reflectie zou ervaring nauwelijks kunnen doorwerken. Toch kunnen deze vermogens ook tot kwelling worden. De mens kan lijden aan wat nog niet gebeurt en aan wat niet meer gebeurt.

 

Dat lijden ontstaat niet doordat de toekomst of het verleden werkelijk aanwezig zijn. Er is immers alleen de actuele NU duur waarin ervaring verschijnt. Anticipatie is daarom geen ervaring van de toekomst, maar een virtuele ervaringsconfiguratie binnen het huidige NU. Reflectie is geen herbeleving van het verleden, maar een retrospectieve ervaringsconfiguratie binnen hetzelfde actuele NU. Toekomst en verleden worden dus niet werkelijk betreden, maar zij worden verbeeld.

 

De ontologische grond daarvan ligt in de open structuur van de NU duur zelf. Het actuele NU is geen leeg punt, maar een levende duur waarin lichaam, betekenis en aandacht tijdelijk samenkomen. Omdat ervaring niet samenvalt met actuele zintuiglijkheid alleen, maar zich vormt uit dubbele ontvankelijkheid, kunnen ook toekomst en verleden als verbeeldingsconfiguraties in het NU verschijnen. Anticipatie en reflectie ontstaan dus niet uit het ego. Zij zijn mogelijk doordat het actuele NU ontvankelijk is voor wat zich niet als actuele werkelijkheid aandient, maar wel als verbeelding werkzaam wordt.

 

Deze verbeeldingen zijn niet leeg. Zij hebben een lichamelijke en een betekenismatige kant. Zoals er bij magneten geen noordpool zonder zuidpool bestaat, zo bestaan er bij ervaring ook geen monopolen. Er is geen zuivere zintuiglijkheid zonder betekenis en geen zuivere betekenis zonder lichamelijke of zintuiglijke bedding. Ervaring verschijnt altijd als dubbele ontvankelijkheid. De zintuiglijke ontvankelijkheid en de transcendente ontvankelijkheid zijn onderscheiden, maar manifesteren zich nooit afzonderlijk. De zintuiglijke pool geeft ervaring haar lichamelijke en waarneembare bedding, terwijl de transcendente pool betekenis, samenhang en richting laat verschijnen.

 

Bij anticipatie krijgt deze dubbele ontvankelijkheid een virtuele vorm. Het lichaam kan spanning, beklemming, onrust of buikpijn ervaren terwijl de gebeurtenis zelf nog niet plaatsvindt. De zintuiglijke pool is dan niet gericht op de actuele buitenwereld, maar op een verbeelde toekomstige situatie. Tegelijk verschijnt een bijbehorende betekenispool. Die toekomstige mogelijkheid krijgt de lading van dreiging, mislukking, afwijzing of controleverlies. Het lichaam voelt dus niet de toekomst. Het voelt de actuele verbeelding van een toekomst die betekenismatig geladen is.

 

Bij reflectie ontstaat een andere configuratie. Het verleden keert niet terug als werkelijkheid, maar verschijnt als retrospectieve verbeelding binnen het huidige NU. Ook hier werken beide polen weer samen. Het lichaam kan opnieuw zwaar worden, zich spannen, terugtrekken of verkrampen. Tegelijk krijgt het gebeurde betekenis als schuld, schaamte, gemis, krenking of onrecht. Het verleden zelf is niet aanwezig, maar de verbeelding ervan wordt nu lichamelijk en betekenismatig gedragen. Wanneer een eerdere ervaring destijds al zwaar beladen was en later telkens in een vergelijkbare ordening terugkeert, krijgt deze reflectieve configuratie het karakter van een gestold patroon.

 

Daarmee wordt de rol van het ego scherper zichtbaar. Het ego is niet de oorsprong van anticipatie of reflectie. Het maakt de ervaringsconfiguratie niet. Anticiperende en reflecterende verbeeldingen ontstaan binnen de dubbele ontvankelijkheid van de NU duur. Het ego wordt pas wezenlijk wanneer het zich aan deze configuraties hecht en ze zich toe-eigent als zelfbedreiging, zelfbewijs of controleopdracht. Bij anticipatie zegt het ego niet alleen dat er iets kan gebeuren. Het maakt ervan dat ik kan falen, dat mijn waarde op het spel staat, dat ik gezien kan worden als tekortschietend. Bij reflectie zegt het ego niet alleen dat er iets is gebeurd. Het maakt ervan dat dit bewijst wie ik ben, wat mij blijft bepalen, wat ik had moeten voorkomen of wat nooit meer goed kan worden. Zo wordt een verbeelding omgezet in een zelfverhaal.

 

De rol van het ego is daarom niet constitutief, maar annexerend. Het ego brengt de ervaring niet voort, maar kan haar overnemen. Het plaatst zichzelf als centrum in een beweging die zich eigenlijk vanzelf voltrekt. Denken gaat vanzelf. Lichamelijke reacties ontstaan vanzelf. Betekenis dient zich vanzelf aan. Het ego voegt daar de aanspraak aan toe dat dit alles beheerst, verklaard, verdedigd of gecorrigeerd moet worden.

 

Precies daardoor ontstaat een tweede belasting. De eerste belasting is de verbeelding die zich aandient. De tweede belasting is de egoïsche toe-eigening ervan. De mens lijdt dan niet alleen aan spanning, schaamte of vrees, maar ook aan het idee dat hij deze spanning had moeten voorkomen, deze schaamte had moeten overwinnen of deze vrees onder controle had moeten krijgen. Het ego wil controle over processen die niet uit het ego voortkomen. Daarom kan het die controle ook nooit werkelijk bereiken.

 

De therapeutische vraag is dan niet hoe anticipatie en reflectie kunnen worden uitgeschakeld. Zij behoren tot de temporele verfijning van het menselijk bewustzijn. De vraag is hoe de mens responsief kan blijven wanneer verbeeldingen in het actuele NU verschijnen. Bij anticipatie vraagt dit om terugkeer naar wat zich zintuiglijk aandient in dit NU. Wat is hier en nu werkelijk te zien, te horen, te voelen en te dragen? Bij reflectie vraagt dit om heropening van betekenis. Wat verschijnt nu als betekenis, en welke relevantie heeft die betekenis nog in het actuele NU?

 

Het ego hoeft daarbij niet bestreden te worden. Strijd tegen het ego zou het ego opnieuw voeding geven. Het moet eerder zijn vanzelfsprekendheid verliezen. Dat gebeurt wanneer de mens ervaart dat denken, lichaam en betekenis zich kunnen voltrekken zonder dat zij door het ego als centrum hoeven te worden toegeëigend. Dan wordt de verbeelding niet vernietigd, maar herkend als verbeelding. De toekomst blijft mogelijkheid. Het verleden blijft spoor. Alleen het actuele NU draagt de werkelijke ervaring.

 

Zo verschijnt een precieze formulering van menselijk lijden. De mens lijdt niet simpelweg aan toekomst of verleden. Hij lijdt aan verbeeldingen van toekomst en verleden die binnen het actuele NU verschijnen en door het ego kunnen worden geannexeerd. Waar die annexatie losser wordt, ontstaat ruimte voor hernieuwde responsiviteit. Niet omdat de mens eindelijk controle krijgt, integendeel, maar omdat hij niet langer hoeft samen te vallen met de controleopdracht van het ego.

 

Daar opent zich een andere verhouding tot ervaring. De mens hoeft niet te heersen over wat zich aandient. Hij hoeft niet te bezitten wat hij voelt of denkt. Hij kan leren onderscheiden welke configuratie zich toont, welke verbeelding werkzaam is en waar het ego zich eraan hecht. In dat onderscheid kan het NU opnieuw dragend worden. Niet als leeg moment, maar als levende duur waarin lichaam, betekenis en aandacht tijdelijk samenkomen. Alleen in het actuele NU wordt ervaring werkelijk gedragen.

 

Wat filosofisch als anticipatie en reflectie kan worden beschreven, klinkt in populaire muziek vaak als zorg, vrees of onrust om wat nog kan komen, en als gemis, spijt of melancholie rond wat voorbij is. Liedjes laten horen hoe toekomst en verleden in het huidige leven kunnen doorwerken zonder zelf aanwezig te zijn. In Don’t Worry, Be Happy van Bobby McFerrin klinkt de neiging door om zorgen groter te maken dan de werkelijkheid die zich aandient. Het lied past bij anticipatie, omdat het laat zien hoe een mens kan lijden aan mogelijke problemen die nog niet plaatsvinden. Toch valt op dat populaire muziek veel rijker lijkt aan reflectie dan aan anticipatie. Verlies, herinnering en gemis laten zich kennelijk gemakkelijker bezingen dan mogelijke dreiging. In Yesterday van The Beatles verschijnt het verleden als iets wat voorbij is en toch blijft doorwerken. Ook Nederlandstalige liedjes dragen deze ervaring. In Voltooid Verleden Tijd van Is Ook Schitterend wordt het verleden benoemd als afgesloten en tegelijk nog werkzaam. In Oude Maasweg van The Amazing Stroopwafels wordt een plaats drager van herinnering en melancholie. In Hilversum III van Herman van Veen verschijnt het verleden als een verdwenen wereld die in het huidige NU nog altijd betekenis oproept. Zo bevestigt ook muziek wat de taal van spreekwoorden en de filosofische analyse zichtbaar maken. De mens leeft in het actuele NU, maar draagt daarin verbeeldingen van wat nog niet is en wat niet meer is. Waar het ego deze verbeeldingen annexeert, worden zij tot last. Waar zij als verbeelding herkend worden, kan het actuele NU opnieuw zijn draagkracht hervinden.

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe

Ontvang automatisch mijn blogs

© 2020 by Marc Cornelisse. Proudly created with Wix.com

bottom of page