Wat ging er mis bij de mens?
- Marc Cornelisse
- 10 jul
- 6 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 11 jul
Er is iets vreemds aan de mens. Wat hem raakt, laat hij namelijk zelden met rust. Een blik kan blijven hangen. Een opmerking kan meteen binnenkomen. Een succes kan het beeld kleuren dat iemand van zichzelf heeft. Wat zich aandient, blijft zelden eenvoudig aanwezig. Het raakt al snel verstrikt in herinnering, verwachting en zelfbeeld. Nog voordat iets werkelijk in zijn eigenheid heeft kunnen verschijnen, schuift de vraag ertussen wat het voor mij betekent.
Daar begint mijn ongemak met het woord toe-eigening. Het lijkt een bruikbaar begrip, omdat het wijst op de neiging van de mens om de wereld naar zich toe te halen. Toch zit er iets mis in het woord zelf. Toe-eigening klinkt alsof er een ik is dat actief besluit iets tot het zijne te maken. Alsof het subject eerst vrij en zelfstandig aanwezig is en vervolgens de wereld naar zich toe trekt. Maar zo zie ik de mens niet.
Voor mij is het ik geen autonome oorsprong. Het ik is geen vaste kern die van buitenaf handelt op wat zich aandient. Het ik ontstaat als tijdelijk ordeningspunt binnen de dubbele ontvankelijkheid waarin de mens leeft. Zintuiglijk staat hij open voor lichaam, wereld en situatie. Transcendent staat hij open voor richting, waarde en betekenis. In die openheid kunnen potenties zich actualiseren tot concrete ervaring. Waar zulke ervaring zich tijdelijk ordent, verschijnt het emergente ik.
Maar die ordening blijft niet vanzelf open. Wat zich herhaalt, wat pijn doet en wat betekenis krijgt, kan zich vastzetten. Zo ontstaan constructielagen. Die lagen zijn persoonlijk, maar ook cultureel bepaald. Eerdere ervaringen, kwetsuren en zelfbeelden werken daarin samen met taal, normen en maatschappelijke verwachtingen. Wanneer het emergente ik zich via die lagen verdicht en afsluit, spreken we van ego. Het ego is dus geen zelfstandige macht, maar een gestolde ordening die de ervaring steeds opnieuw naar zichzelf toe buigt.
Wat zich aandient, komt dus nooit terecht in een leeg bewustzijn. Het valt in een veld dat al gevormd is. Dat veld selecteert, kleurt en buigt. Soms krijgt een ervaring de kans om te resoneren. Dan kan zij doorwerken zonder meteen begrepen, verklaard of gebruikt te worden. Daarom is inbedding voor mij een beslissend woord. Ervaring vraagt niet allereerst om vorm. Ervaring vraagt om inbedding. Wat zich aandient, moet bedding kunnen vinden. Het moet gedragen kunnen worden in een lichaam, in een verhouding en in de tijd. Pas dan kan een ervaring blijven bewegen zonder meteen bezit te worden.
Maar precies daar gaat het vaak mis. De open inbedding slaat om. Wat zich aandient, wordt naar het ego toe gebogen. Een opmerking wordt mijn krenking. Een succes wordt mijn verdienste. Een tegenslag wordt mijn schuld. Op dat punt schiet het woord toe-eigening uiteindelijk tekort. Het benoemt wel de uitkomst, maar niet het onderliggende proces. Het suggereert nog te veel een subject dat iets doet. Maar de beweging ligt dieper. Het is niet zo dat een vrij ik zich de ervaring toe-eigent. Het ik wordt juist bevestigd in de beweging waarin het andere tot het ego wordt teruggebracht.
Daarom is een ander begrip nodig. Ik noem deze werking egologische reductie. Daarmee bedoel ik dat wat zich aandient niet open wordt ingebed, maar wordt teruggebracht tot wat het ego kan herkennen, hanteren of bevestigen. Wat rijker, vreemder en beweeglijker was, verliest daardoor zijn eigen ruimte. Het verschijnt als bezit, bedreiging of bevestiging van het ik.
Door egologische reductie neemt de ervaringsdiversiteit af.
De kracht van dit begrip wordt pas zichtbaar wanneer we het volgen in concrete domeinen van het leven. Egologische reductie verschijnt zelden als kwaad. Zij dient zich meestal aan onder woorden die goed klinken. Positief denken, eigen verdienste en goede zorg kunnen allemaal dragers worden van dezelfde beweging. Wat beweeglijk zou moeten blijven, raakt vastgezet in een patroon waarin het ego zichzelf herkent.
Toxisch positivisme laat deze reductie meteen zien. Pijn, verdriet of angst vragen om bedding, omdat zij eerst moeten kunnen bestaan voordat er taal van perspectief overheen wordt gelegd. In toxisch positivisme wordt die dynamiek te vroeg stilgelegd. Wat zwaar is, wordt dan omgebogen naar groei, les of kans, niet omdat degene die reageert kwaad wil, maar omdat hij de openheid van de pijn moeilijk verdraagt. De zwaarte van de ander roept ongemak, machteloosheid of onzekerheid op. Juist dat ongemak wordt gereduceerd door er snel een positieve betekenis aan te geven. Zo lijkt er troost te ontstaan, terwijl de ervaring zelf geen ruimte krijgt om door te werken.
De meritocratie geeft egologische reductie een culturele vorm. De levensloop wordt daar niet meer verstaan als een beweeglijke samenhang van aanleg, omstandigheden en bedding, maar stolt tot een oordeel over het individu. Succes verschijnt als bewijs van eigen kracht, terwijl falen wordt teruggevoerd op onvoldoende inzet, verkeerde keuzes of gebrek aan talent. Daardoor bevestigt de cultuur de geslaagde in zijn zelfbeeld en belast zij de falende met schaamte.
Zorg kan door dezelfde reductie worden aangetast. Zorg vraagt om afstemming op wat de ander nodig heeft, en die afstemming blijft beweeglijk omdat de ander nooit samenvalt met zijn lichaam, diagnose of kwetsbaarheid. In somatische zorg kan iemand worden gereduceerd tot klacht of protocol. In psychische zorg kan iemand worden vastgezet in diagnose, behandelplan of hersteldoel. Wanneer zorg zo wordt gereduceerd, ontstaan medelijden, controle of helperstrots. De ander wordt dan niet werkelijk gedragen, maar opgenomen in het beeld dat de zorgverlener, naaste of hulpverlener van hem heeft.
Nergens wordt dit indringender dan in de liefde. Liefde vraagt om verbondenheid waarin de ander ander kan blijven, maar wanneer liefde wordt gereduceerd, verschijnt de ander vooral in verhouding tot mijn verlangen, mijn angst of mijn zelfbeeld. Dan kan de ander bezit worden, lustobject of bevestiging van mijn waarde. In die lijn liggen ook de patronen die door #MeToo zichtbaar zijn geworden. De vrouw verschijnt dan niet werkelijk als ander, maar wordt tot beschikbaar lichaam gemaakt binnen een verhouding van macht en begeerte. Jaloezie is een eerste teken van dezelfde reductie. Femicide is de uiterste ontsporing, waarin de ander niet langer buiten het bezit van het ego mag bestaan.
Het onderwijs toont een andere variant. Leren is geen bezit van de leerling, maar een relationeel gebeuren waarin leerling, leraar en leerstof elkaar kunnen raken. Daarvoor is pedagogische bedding nodig. Zonder die bedding wordt leren gemakkelijk teruggebracht tot prestatie, eigenaarschap of rendement. De leerling moet dan niet alleen leren, maar ook laten zien dat hij zijn leren stuurt, verantwoordt en bezit. Wat alleen in een relationeel veld kan ontstaan, wordt zo alsnog op het individu gelegd. De leerstof verliest dan haar vermogen om te spreken, te verrassen en door te werken. Wie te snel denkt iets begrepen te hebben, zet het vast voordat het werkelijk kan resoneren.
Als egologische reductie het beweeglijke vastzet, kan de wending niet bestaan uit een nieuwe greep. Zij moet ruimte maken waarin ervaring opnieuw kan bewegen. Dat gebeurt niet door het ego te bestrijden, omdat ook die strijd gemakkelijk een project van het ego wordt. De opening ontstaat waar wat verschijnt tijd krijgt om te resoneren en door te werken. Daarvoor zijn vertraging, aandacht en resonantie beslissend. Vertraging opent ruimte tussen geraakt worden en reageren, aandacht laat iets verschijnen zonder het meteen te sluiten en resonantie maakt antwoord mogelijk zonder bezit. In zo’n bedding kan iets mij raken zonder onmiddellijk van mij te worden.
Ook taal speelt daarin een belangrijke rol. Sommige taal sluit te snel af. Zij zegt dat iets verwerking is, groei of eigen verantwoordelijkheid, en daarmee verklaart zij de ervaring voordat die werkelijk heeft kunnen spreken. Open taal doet iets anders. Zij nodigt uit om langer bij wat verschijnt te blijven, om niet te snel een naam te geven en om eerst te laten doorwerken. Zulke taal benoemt zonder vast te zetten, vraagt zonder te dwingen en antwoordt zonder te annexeren. Filosofie, kunst en gesprek kunnen zo’n open taalruimte vormen, zolang zij niet opnieuw tot methode worden gemaakt.
De wending is geen techniek en ook geen morele opdracht. Zij is een verschuiving van veldcondities. Zij is een verschuiving van veldcondities. De mens keert egologische reductie niet door zichzelf heldhaftig te overwinnen, maar door bedding te openen waarin ervaring opnieuw kan resoneren. Wat hem raakt, hoeft hij misschien niet onmiddellijk te grijpen, te verklaren of van zichzelf te maken. Daar ligt de meest bescheiden vorm van vrijheid. Niet vrijheid als autonome zelfbeschikking, maar vrijheid als ruimte waarin het andere nog niet van mij hoeft te worden.
Opmerkingen