Ons isolement

De moderne mens - de homo sapiëns – zette zo’n 200.000 jaar geleden - bij wijze van spreken - haar eerste schrede op het wereldtoneel. Waarschijnlijk waren we toen nog lekker naïef en vooral intens verbonden met alles wat er was, zeg maar met ‘de natuur’. Ik mag graag denken dat het arsenaal aan emoties van de mens toentertijd nog heel beperkt was en dat de mensen die toen leefden op een zeer intuïtieve manier met de anderen in verbinding stonden. Woorden (of kreten) waren daarbij waarschijnlijk van ondergeschikt belang. Naarmate onze hersenen groter werden, bedachten we ook complexere systemen. Om goed met elkaar te kunnen samenwerken, moesten taken op elkaar afgestemd worden. Taalontwikkeling was daarbij een min of meer logische consequentie. In het lange evolutie proces dat volgde - van de eerste homo sapiëns tot de homo sapiëns van nu, zeg maar de mens - zijn heel wat hobbels en valkuilen geweest. In menig boek is dit proces uitgebreid beschreven.


Aanvankelijk voelden we ons waarschijnlijk gewoon een dier onder de dieren, maar langzamerhand werden we ons bewust van een bepaalde superioriteit. We waren in staat om een strategische jacht op te zetten en konden op een gegeven moment zelfs plannen maken om ons eigen voedsel te verbouwen. We verlieten de grotten en bouwden onze eigen huisjes met zelf gemaakt - weliswaar primitief - gereedschap. Dat zagen we andere dieren ons niet nadoen. We aanbaden verschillende goden in de hoop om ziektes en tegenvallers af te wenden of om oogsten en tribale gevechten succesvol te laten zijn. Het lot van ons bestaan lag toen nog volledig buiten onszelf. We waren afhankelijk van de gezindheid van onze goden.


Naarmate we echter meer van de wereld om ons heen konden begrijpen, nam het aantal verschillende goden drastisch af. Door de reductie van het aantal goden, ontstonden uiteindelijk de monistische geloven, zoals bijvoorbeeld het Christendom (maar ook het Jodendom en de Islam). De God van het Christendom had de mens naar zijn evenbeeld geschapen (zo was het idee). De mens was de beheerder van dat wat beschouwd werd als door God gegeven, de aarde met alles erop en eraan. Maar de gelovige mens was wel aangewezen op het werk van een priester ter bemiddeling in de omgang met deze God.


Van een vermeende centrale plek in het universum zijn we door Copernicus (1473-1543) en Galilei (1564-1642) op wetenschappelijke wijze van ons voetstuk gestoten. Het geocentrische wereldbeeld moest plaatsmaken voor het heliocentrische. De aarde bleek namelijk niet het centrum van het heelal te zijn waar alle andere sterren en planeten omheen draaien, maar een onbenullig planeetje in een oneindig groot universum. Het Vaticaan is deze ontdekking overigens tot maar liefst 1835 als blasfemie blijven beschouwen. Het antwoord op onze queeste naar de betekenis van ons zijn, heeft ons steeds verder doen wegzakken in een existentieel isolement. Als onze ervaring van de wereld regelmatig een discrepantie vertoont met de realiteit, dan is dat een voedingsbodem voor psychisch lijden. Zolang we telkenmale met een zekere mentale flexibiliteit veranderingen in ons wereldbeeld kunnen adapteren, vermijden we het risico op geestelijk lijden.


Steeds sterker wordt duidelijk dat we er in dit onmetelijke universum als mens alleen voor staan. Alles vóór onze geboorte en na onze dood is één groot mysterie. Onze verbondenheid met elkaar kan tijdens ons aardse leven gelukkig nog enige troost bieden. Maar ook die perceptie kan helaas tot vervreemding leiden. Dan heb ik het niet over tactiele vertroosting, maar over verbale communicatie. Met taal creëren we actief betekenissen en sociale verhoudingen. Met behulp van de woorden die we in ons vocabulaire tot onze beschikking hebben, proberen we zo genuanceerd mogelijk de ander te informeren over onze gemoedtoestand of over hetgeen we denken. Maar daar zit ‘m nou juist de crux, want jouw vocabulaire is per definitie beperkt. Misschien kun je stellen dat hoe groter iemands vocabulaire, hoe genuanceerder hij/zij zich kan uitdrukken. Maar hoe goed je uiteindelijk door de ander begrepen wordt, hangt uiteraard ook af van de mate van resonantie van jouw woorden bij die ander.


George Orwell (1903-1950) beschreef in zijn boek ‘1984’ de zogenaamde ‘newspeak’, een fictieve taal die de gedachten van ieder persoon eenduidiger onder woorden kon brengen. Misverstanden zouden hierdoor voorkomen worden. ‘Newspeak’ moest er in deze roman voor zorgen dat het totalitaire systeem controle kreeg over ieders gedachten. De ‘woke cultuur’ vertoont duidelijk enige gelijkenis met de ‘newspeak’ van Orwell.


Taal kan echter ook ambigue zijn, dat wil zeggen dat het dubbelzinnig kan zijn. Dit kan zowel het geval zijn bij woorden, als bij complete zinnen. ‘Ik heb een foto van mijn dochter.’ In dit geval kan het gaan om een foto die mijn dochter gemaakt heeft of om een foto waar mijn dochter op te zien is. Ambigue dus.


Er zal altijd een discrepantie blijven bestaan tussen zender en ontvanger, tussen wat gezegd of geschreven wordt en hoe die boodschap ontvangen wordt. Deze tweeledige betekeniskloof is er de oorzaak van dat we elkaar maar moeizaam volledig kunnen begrijpen. Daar komt nog bij dat woorden en zinnen bij ons allemaal weer andere associaties teweegbrengen. Niks zeggen en elkaar stevig vasthouden biedt waarschijnlijk de meeste vertroosting in ons eenzame bestaan. Misschien is er nog hoop op de cultivering van een vorm van woordeloze communicatie middels ons bewustzijn. Een vorm die de eerste mensen en de latere mystici waarschijnlijk ooit beheersten, maar die door het pad van onze evolutie (denk aan de invloed van zowel het Christendom, als de Verlichting) helaas teloor is gegaan.

51 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven