Onweer

Tot ongeveer de 5de eeuw geloofden veel mensen nog in Germaanse goden. Zo werd het onweer volgens hen veroorzaakt door de Germaanse god Donar. In de Scandinavische landen had deze god de naam Thor. In ons Friesland heeft het wat langer geduurd voordat de Germaanse goden plaats maakten voor het Christendom. De kerstening van de Friezen begon in de 7de eeuw en duurde voort tot de 11de eeuw. Memorabel is de tevergeefse poging van Bonifatius in het jaar 754, die hij met de dood moest bekopen.


De meeste mensen waren bang voor onweer. Zij geloofden dat ze met hun zondige gedrag de toorn van de god Donar hadden opgeroepen. Donar uitte zijn woede door met zijn kar die door twee bokken werd voortgetrokken, over de wolken te denderen (de donder). In zijn hand droeg hij een magische hamer, die hij zo nu en dan kwaad wegslingerde. Daarbij schoten er lichtflitsen uit de hamer (bliksem). Om zich tegen deze razernij te beschermen, hing men donderkruid aan de gevel.


Oké, maar als dat verhaal over Donar niet waar is, hoe ontstaat onweer dan wel? Allereerst moet je weten dat er in onze atmosfeer verschillende lagen te onderscheiden zijn. Elke sfeer heeft zijn eigen specifieke temperatuursverloop (zie het plaatje hieronder).

De meeste meteorologische verschijnselen spelen zich af in de eerste sfeer, de zogenaamde troposfeer. Ook onweer ontstaat in die laag. Bij onweer is er altijd sprake van een opwaartse luchtstroming. Deze kan op verschillende manieren ontstaan, bijvoorbeeld door de aanvoer van warme vochtige lucht (in het najaar, wanneer koude poollucht over het warme zeewater ons land bereikt), door een koudefront (zie tekening) of gewoon door warme lucht die na een zomerse dag vanzelf opstijgt. In alle gevallen stijgt de lucht, omdat warme lucht nu eenmaal lichter is dan koude lucht.

Hoe hoger de warme vochtige lucht komt, hoe kouder deze wordt en dat is de reden waardoor de aanwezige waterdamp verandert in waterdruppeltjes en nog hoger zelfs in ijskristalletjes. En zie, een wolk is daar. Hoe hoger de ijskristalletjes komen, des te groter ze worden. Maar als ze te zwaar worden, vallen ze weer naar beneden. Door de wrijving tussen de dan langs elkaar bewegende deeltjes ontstaat er lading, ofwel statische elektriciteit, waarbij de negatieve geladen deeltjes zich blijkbaar onderin de wolk ophopen en de positieve deeltjes aan de bovenkant. Er ontstaat de volgende situatie (zie tekening).

Tussen de positieve en negatieve gebieden beginnen zich nu ontladingen voor te doen, die wij waarnemen als de bliksem. Wanneer en waar die plaatsvinden, blijft altijd een verrassing. De bewegende lading zoekt altijd de weg met de minste weerstand. Zo’n ontlading is in feite een hele sterke stroom, waardoor de temperatuur van de lucht plotseling gigantisch toeneemt. De temperatuur kan zelfs oplopen tot wel 30.000 graden Celsius. Door de snelle opwarming van de lucht (op die plaatsen waar de bliksem passeert), zet de lucht heel snel uit: de lucht explodeert. Die achtereenvolgende explosies nemen wij waar als de donder (vaak ook een enorm gerommel). De bliksem en donder ontstaan dus tegelijkertijd.


De lichtflits (die we bliksem noemen) bereikt ons met een snelheid van 300.000 km/s, terwijl het geluid daar langzaam achteraan komt met een snelheid van ongeveer 340 m/s. De bliksem zien we dus eigenlijk onmiddellijk. Als we nu tellen hoeveel seconden na het zien van de bliksem de donder te horen is, dan weten we bij benadering hoever de onweersbui van ons verwijderd is.


Elke drie seconden staat namelijk gelijk aan ongeveer één kilometer (3 x 340 ≈ 1000 m).


Hoe dichterbij een onweersbui is, hoe gevaarlijker de bliksem kan zijn. Zorg er in ieder geval altijd voor dat je niet het hoogste punt bent in de omgeving (immers de stroom kiest de weg van de minste weerstand en door jou gaat-ie makkelijker dan door de lucht). Dus begeef je niet op een open vlakte (zoals bijvoorbeeld de hei, een weiland, een meer of de zee). Schuil ook nooit onder een boom die op een vlakte staat (want dan is die boom namelijk het hoogste punt). Het beste kun je gewoon ergens binnen zijn. Zelfs in een auto (en een vliegtuig) is het overigens superveilig. Je bevindt je dan namelijk in een kooi waar de stroom niet in kan komen. En dan maar wachten totdat de bui is weggetrokken.


De bliksem slaat in Nederland ongeveer 200.000 keer per jaar in.

22 keer bekeken0 reacties

© 2020 by Marc Cornelisse. Proudly created with Wix.com