Ken Uzelve

De Duitse filosoof Kant besloot zijn boek ‘De kritiek van de praktische rede’ met de woorden: Twee dingen vervullen de geest met steeds nieuwe en toenemende bewondering en eerbied, hoe vaker en langduriger het denken zich ermee bezighoudt: de sterrenhemel boven mij en de morele wet in mij.’ Volgens Kant kunnen we geen kennis verkrijgen over de goddelijke mystieke wereld, ook al hebben we religieuze ervaringen die verraden dat deze wereld wel bestaat. De geest binnenin de mens blijft volgens Kant dan ook een groot mysterie.

Wij westerlingen hebben ons er op toegelegd om de wereld om ons heen zo goed mogelijk te begrijpen. En daar zijn we tot nu toe ook heel succesvol in geweest. Onze onderzoekende blik is altijd naar buiten gericht geweest. En misschien is Kant daar ook wel debet aan. Pas sinds enkele decennia is ons geestesleven bron van onderzoek, maar dan wel voornamelijk vanuit een materialistisch perspectief. Emoties en bewustzijn zouden het gevolg zijn van chemische reacties. Op enkele mystici na, is onze innerlijke wereld voornamelijk het onderzoeksterrein van de neuroloog geworden.

En dat terwijl een vooraanstaand wetenschapper, Arthur Eddington (1882-1944), het fenomeen bewustzijn juist geen materiële basis gaf. Hij keerde het om door te stellen dat het fysisch heelal een abstractie zal blijken te zijn, als we het niet koppelen aan bewustzijn. De wetenschapper pater jezuïet Pierre Teilhard de Chadin (1881-1955) was er van overtuigd dat er pas een ‘theorie van alles’ kon zijn op het moment dat de mens een geestelijke component aan de natuurkundige vergelijkingen had toegevoegd. Hij gebruikte de eonentheorie van Jean Emile Charon (1920-1998) - een theorie over de verhouding tussen materie en geest - om zijn complexe relativiteitstheorie te ontwikkelen.

Hebben we ons innerlijke wereld - onze ziel, onze geest - verwaarloosd? Of zijn we er bang voor? We zijn nauwkeurig in staat om onze positie in ons zonnestelsel aan te geven, maar we zijn niet in staat om het mysterie van ons eigen bestaan te duiden. Dat is een raadsel dat onopgelost blijft. En waarom zouden we ons druk maken over de mechanismen in het heelal? Alles daarbinnen gaat vanzelf. Maar over onszelf weten we nog bitter weinig. Beschikken we over een vrije wil of is dat slechts een illusie?

We kunnen ingenieuze infrastructuren aanleggen, maar een antwoord op de vraag ‘Wie ben ik?’, kunnen we niet geven. We kunnen geavanceerde smartphones maken, maar we zijn niet in staat om af te dalen in ons eigen mysterieuze ego om dit nauwgezet te onderzoeken. Bestaat de materiële wereld wel zonder de aanwezigheid van een geest die waarneemt? Op de vraag ‘Wat is het moeilijkste van alle dingen?’ antwoordde één van de zeven wijzen van Miletus (600 v Chr.) ‘Uzelf te kennen!’. En dat, dat is een antwoord dat ook vandaag de dag nog steeds van toepassing is. Dat is toch vreemd. Op alle materiële terreinen boekt de mens enorme progressie in de tijd, maar als het om hemzelf gaat, dan stokt het.

In de jaren negentig van de vorige eeuw heb ik het genoegen gehad om twee keer een lezing van de sinoloog Ulrich Libbrecht (1928-2017) te kunnen bijwonen. Hij was een autoriteit op het gebied van de oosterse filosofie en heeft fundamentele overeenkomsten tussen de verschillende religies (en filosofieën) ontdekt en vastgelegd in zijn comparatieve filosofie. Echt indrukwekkend. Een belangrijk verschil tussen Oost en West is de intentionaliteit van de mens, het subject (S), ten opzichte van haar omgeving, het object (O). In oosterse tradities heeft men zich gericht op de eenheidservaring met zijn omgeving: ‘das ganz Andere’, het diepste mysterie van het universum. In de westerse traditie ervaart men de omgeving juist als ondersteuning van de behoeften van het individu.


De vrije energie (Ɛ) die de mens tot haar beschikking staat, heeft de westerling gebruikt om zich te distantiëren van haar omgeving, opdat hij met zijn rationaliteit in staat was de objecten in die omgeving te bestuderen. Zijn verdiensten zijn wetenschap en rationaliteit. De oosterling heeft die vrije energie (Ɛ) gebruikt om een eenheidservaring met haar omgeving te ervaren, opdat hij met zijn emotionaliteit het mysterie van het universum kon doorgronden. Zijn verdiensten zijn meditatie en emotionaliteit. Libbrecht geeft dit als volgt in een grafiek weer.


Natuurlijk is het onderscheid niet zo zwart-wit als hierboven beschreven staat, maar in essentie is dit wel het grote verschil. Voor ons westerlingen zou het een goede zaak zijn om dagelijks te mediteren. Hierdoor cultiveren wij verdraagzaamheid, een eigenschap waarmee we polarisatie in de samenleving - tussen welke groeperingen dan ook - kunnen beslechten.


Ook de wetenschap zou dit terrein moeten betreden, want wellicht ontdekken we daar de ‘missing link’ voor een ‘theory of everything’. Laten we het uitdrukkelijke bevel van het orakel van Delphi, ‘Gnothi Seauton’ (Ken Uzelve) nu eindelijk eens serieus nemen.

0 keer bekeken

© 2020 by Marc Cornelisse. Proudly created with Wix.com