Kunstervaring

Kunnen geloof en wetenschap samen gaan of sluit wetenschap elke vormen van geloven uit?


Kunst kan ontroeren, het kan ons in vervoering brengen. Een kunstbeleving voert ons als het ware weg van de objectieve werkelijkheid. Het heeft iets transcendentaals, iets dat boven de banale ervaring uit stijgt, maar reeds voorafgaand aan die ervaring er wel al ontvankelijk voor is. Natuur kan ons op vergelijkbare wijze ontroeren, net zoals de sterrenhemel tijdens een heldere nacht. Als je voor jezelf nagaat op welke momenten je dergelijke belevingen hebt meegemaakt, dan zijn dat er waarschijnlijk legio. Het kan je bijvoorbeeld overkomen tijdens een ontmoeting, het lezen van een boek, het luisteren naar of maken van muziek, het zeilen op een plas, een innige vrijpartij, een moment van verwondering, een gevoel van vrijheid, meditatie en ga zo maar door. Wat hebben deze transcendentale ervaringen nu met elkaar gemeen?


Laat ik beginnen met een poging om de overeenkomst in woorden te vangen. Wellicht komt de ontroering voort uit een besef dat er iets groters is dan wijzelf, waar wij op het moment van die ervaring volledig in opgaan. De illusie van ons aardse ego, dat normaal gesproken alles om ons heen onderscheidt als ‘ik-vreemde’ objecten, lijkt even opgeheven te zijn. Een gevoel van harmonie, schoonheid en gelukzaligheid overrompelt ons. Volgens Immanuel Kant triggert een dergelijke ervaring het esthetisch oordeelsvermogen van de rede. Dit esthetisch oordeelsvermogen is - aldus Kant - a-priorisch, dat wil zoiets zeggen als: in potentie vooraf reeds aanwezig. Kant omschrijft deze kortstondige gemoedstoestand als een ervaring van een ‘doelgerichtheid zonder doel’. Misschien het beste te vergelijken met ‘ergens volledig in opgaan’ of met wat ik in eerdere blogs ‘het in-flow zijn’ heb genoemd.


Volgens Kant ligt de basis voor ons ethisch oordeelvermogen eveneens besloten in de (praktische) rede. Het gaat daarbij om een universeel wetgevende wil, aldus Kant, waar je in vrijheid naar kunt handelen. Deze autonome vrije wil komt voort uit hetzelfde transcendentale domein als waar hij de esthetische transcendentale ervaringen situeert. Ethiek kan overigens ook heel rationeel benaderd worden, denk alleen maar aan het wetboek van strafrecht of aan de tien geboden.


De alledaagse ervaring vormt de grondslag voor theorievorming binnen de natuurwetenschappen. Men spreekt dan over waarnemingen die een hypothese ondersteunen of weerleggen. Deze manier van wetenschap bedrijven noemt men empirisme. Je zou kunnen stellen dat de voortgang van de natuurwetenschappen het podium van God uiteindelijk steeds kleiner heeft gemaakt. Voor steeds meer - aanvankelijk onbegrepen – natuurverschijnselen, is tegenwoordig namelijk een wetenschappelijk verklaring te geven. Andere natuurwetenschappelijke ontdekkingen daarentegen zorgen weer voor extra podiumdelen (denk bijvoorbeeld aan ontdekkingen in de kwantumfysica). Maar hoe zit het met de transcendentale ervaringen? Welk domein uit de samenleving heeft zich deze ervaringen toegeëigend?


Het is in ieder geval duidelijk dat het hier om twee complementaire aspecten van de werkelijkheid gaat. Enerzijds gaat het om de objectieve kant van de werkelijkheid, waarbij de wetenschap haar kennis uitdrukt in termen als waar en onwaar. Anderzijds gaat het om de subjectieve kant van de werkelijkheid, waarbij we een taal bezigen die eerder verwant is aan de taal van de poëzie. Omdat we de transcendentale ervaring niet of nauwelijks bewust kunnen induceren, weten we overigens niet in welke mate deze een subjectief karakter heeft. De aanwezige complementariteit kan ook uitgedrukt worden met woorden als wetenschap & techniek enerzijds versus esthetiek & ethiek anderzijds. Hierbij zij opgemerkt dat binnen de natuurwetenschap het ontdekken van een centrale ordening in de vorm van een natuurwet ook kan leiden tot een transcendentale ervaring van schoonheid. Met andere woorden: ook de natuurwetenschap zelf kan aanleiding zijn voor een transcendentale ervaring. Citaat van Einstein:


Als er iets in mij is wat als religieus benoemd zou kunnen worden dan is dat de grenzeloze bewondering voor de structuur van de wereld voor zover die door onze wetenschap blootgelegd kan worden.


Op de vraag welk domein uit de samenleving zich met deze transcendentale ervaringen bezighoudt, is denk ik geen eenduidig antwoord te geven. Voor sommigen is dat religie, voor anderen de kunstwereld (in de meest brede zin) en weer anderen zullen de ervaring herkennen en deze toeschrijven aan het mysterie dat ‘leven’ heet. Wonderlijk, dat is het zeker. Misschien wordt het leven net ietsjes mooier, als we deze ervaringen wat meer zouden koesteren.


Geloof en wetenschap sluiten elkaar in ieder geval niet uit. Een wetenschapper kan echter wel zonder geloof, maar een gelovige kan niet zonder de wetenschap. Einstein zag dit anders. Volgens hem is er sprake van een wederzijdse afhankelijkheid tussen beide. Citaat:


Wetenschap zonder religie is kreupel, religie zonder wetenschap is blind.

27 keer bekeken0 reacties

© 2020 by Marc Cornelisse. Proudly created with Wix.com