Non-dualiteit

De mens heeft het dualisme volledig in zijn taalontwikkeling geïncorporeerd. Zo hoort bijna bij elk bijvoeglijk naamwoord en bij veel zelfstandige naamwoorden een woord dat het tegenovergestelde uitdrukt: hoog - laag, groot - klein, vol - leeg, licht - donker, man - vrouw. Sommigen beweren dat de dualiteit lichaam - geest pas haar intrede deed nadat René Descartes zijn filosofie openbaarde. Hij had het namelijk over res extensa (uitgebreidheid der dingen) en res cogitans (de denkende substantie). Maar de eerste mens die deze dualiteit leven inblies, was Plato. Hij beschrijft zijn visie op lichaam en geest in zijn werk ‘Phaedo’, waarin hij Sokrates laat debatteren met zijn vrienden over het belang van lichaam en ziel. De citaten hieronder uit ‘Phaedo’ kun je eventueel overslaan.

Laten we daarom niet stilstaan bij wat mensen zeggen [over de dood] en er met elkaar verder over praten. Weten wij wat de dood is? Is het volgens ons niet de scheiding van ziel en lichaam? Bestaan dan ziel en lichaam niet op zichzelf, de ziel los van het lichaam en het lichaam los van de ziel; is dat niet de dood? Of is de dood iets anders?

Degenen die de inwijdingsceremonieën voor ons ontwierpen, waren waarschijnlijk zo dom nog niet. In raadselachtige spreuken verkondigden zij lang geleden dat wie oningewijd en zonder zijn leven in dienst te hebben gesteld van een vast doel in de Hades [de hel] aankwam, in modder en vuil zou leven. Maar wie daar zou aankomen na een leven te hebben volbracht als een proces van zuivering, leeft te midden van de goden. En er wordt ook gezegd: velen dragen de wijnrankstaf, maar weinigen zijn Bacchanten [nimfen die de God van de wijn Dionysis vergezellen]. En deze laatsten kunnen volgens mij vergeleken worden met ware filosofen. Ik heb in mijn leven zo weinig mogelijk onbeproefd gelaten en ik heb er mij volledig voor ingezet om een liefhebber van de waarheid te zijn. En of ik mij goed heb ingezet en iets volbracht heb, zal ik, zo God het wil, spoedig zeker weten als ik ginds ben aangekomen. Dit is mijn antwoord, mijn beste Simmias en Kebes. Daarom is het voor mij natuurlijk niet moeilijk u en de wereldse meesters te verlaten. Ik ga er immers vanuit dat ik daar goede meesters en vrienden zal treffen, evenals hier. En als mijn verdediging voor u geloofwaardiger klinkt dan voor mijn Atheense rechters, dan heb ik geluk gehad. Na deze woorden van Sokrates zei Kebes: Mijn beste Sokrates, gij hebt heel mooi gesproken, maar wat u over de ziel zei, geloven de mensen niet. Want zij denken dat op de dag dat een mens sterft, de ziel het lichaam verlaat en verdwijnt en dat er niets van de ziel overblijft. Zij denken dat de ziel het lichaam verlaat als een zuchtje wind of een sliertje rook en vervliegt tot er nergens meer iets van over is. Maar als de ziel ergens op zichzelf zou blijven bestaan, onbereikbaar voor al die tegenspoed waarover ge zojuist sprak, dan zou men terecht mogen verwachten dat het waar is wat ge zegt, Sokrates. Maar men moet wel van heel goeden huize komen om aannemelijk te maken dat de ziel van een overledene als een vorm van kracht en bewustzijn blijft bestaan. - Dat is waar, Kebes, zei Sokrates.

De kerkvaders (die leefden tussen 100 tot 300 na Christus) waren hier zeer van onder de indruk en het is dan ook niet verwonderlijk dat veel van de christelijke ideeën hieromtrent sterk leken op die van Plato. Het dualisme ten aanzien van lichaam & geest vormde de basis voor een geloof in het hiernamaals. Het lichaam is slechts de kerker van de ziel. Pas nadat het lichaam gestorven is, kan de ziel zich bevrijden (aldus het christendom).


In het Avondland (West Europa) is er ook een dualiteit ontstaan tussen de individuele mens en alles om hem heen, de objecten. Jean Paul Sartre heeft de relatie tussen mensen (in feite allemaal subjecten) filosofisch onderzocht. Hij kwam tot de conclusie dat we elkaar allemaal objectiveren, omdat we nu eenmaal niet aan de buitenkant kunnen zien wat de ander bezighoudt. We kunnen de ‘ziel’ van de ander niet zien. De blik van de ander stigmatiseert jou wel in bepaalde mate en dat voelt vaak niet fijn, omdat het je vrijheid ontneemt. Dat bracht Sartre tot de uitspraak “De hel, dat zijn de anderen”.

Ook bij het wetenschappelijk onderzoek zijn we in het Avondland wijzer geworden over de wereld om ons heen door fenomenen te isoleren en deze als objecten te bestuderen. Een beproefde methode, waarmee we veel succes geboekt hebben.

De ervaringen met het fenomeen licht stuitten in de 20ste eeuw eveneens op een dualiteit. Men spreekt hier over een golf-deeltje dualiteit. Bij bepaalde experimenten moest men bij de verklaring uitgaan van licht als golfverschijnsel en bij een ander experiment moest men zich beroepen op het deeltjeskarakter van het licht. Deze deeltjes worden fotonen genoemd. Het gaat respectievelijk om het dubbelspleet experiment en foto-elektrisch effect.


Later toonde Louis de Broglie aan dat niet alleen fotonen een golfkarakter hebben, maar ook deeltjes met een massa, zoals bijvoorbeeld elektronen. De golflengte van de materiedeeltjes is gelijk aan h/(m∙v), waarbij h staat voor de constante van Planck, m voor massa en v voor de snelheid van het deeltje.

Ook met elektronen kon het dubbelspleet experiment dus uitgevoerd worden. Er ontstaat dan - net als bij fotonen (lichtdeeltjes) - een interferentiepatroon. Vervolgens vroeg men zich af wat er zou gebeuren als men telkens één elektron op de dubbelspleet zou afsturen. Na verloop van tijd wordt er dan weer een interferentiepatroon zichtbaar. Dat is op zich al vreemd, omdat de elektronen met tussenposen bij de dubbelspleet aankomen. Het aller vreemdste doet zich echter voor wanneer men besluit te meten door welke spleet elk afzonderlijk elektron zich uiteindelijk beweegt (zonder overigens het pad van het elektron te verstoren). Op dat moment verdwijnt het interferentiepatroon volledig en ontstaan er twee strepen op het scherm. Uit latere experimenten is zelfs gebleken dat niet het meetinstrument dat het elektron bij een spleet registreert verantwoordelijk is voor het verdwijnen van het interferentiepatroon, maar het bewustzijn van de waarnemer. In termen van de kwantumfysica reduceert het bewustzijn van de waarnemer de superpositie van het elektron (alle mogelijke plekken waar het zich kan bevinden / de waarschijnlijkheidsverdeling) tot een wel bepaalde plaats. Ons bewustzijn interacteert dus onbewust met alles om ons heen.

Dan is er nog groot mysterie te benoemen in de kwantumfysica. Einstein bedacht in de jaren dertig van de vorige eeuw samen met zijn collega’s Boris Podolski en Nathan Rosen, een gedachte-experiment om een vermeende onvolledigheid binnen de kwantumfysica aan te tonen. Dit experiment is de geschiedenis in gegaan als de EPR-paradox. Kortweg komt het hierop neer. Twee deeltjes die een (kwantum)koppeltje vormen, worden ver van elkaar verwijderd. Als men nu een meting doet aan één van de deeltjes, dan zou dat direct gevolgen hebben voor de toestand van het andere deeltje. Er lijkt dan sprake te zijn van informatieoverdracht die met een grotere snelheid dan het licht gaat. Inmiddels is dit experiment al een aantal keer uitgevoerd en werd de hypothese van de heren bevestigd. Omdat het voor Einstein, Podolsky en Rosen onmogelijk leek, wordt het nu dus een paradox genoemd. Het gaat hier om het fenomeen kwantumverstrengeling. In onze wereld mogen de afzonderlijke deeltjes dan ver van elkaar afliggen, maar ergens (non-lokaliteit) liggen de deeltjes vlakbij elkaar en zijn ze verstrengeld. Kwantumverstrengeling duidt dus op meer verbondenheid dan wij ooit voor mogelijk hielden.

Langzamerhand raken we doordrongen van het feit dat dualisme of dualiteit waarschijnlijk helemaal geen natuurwet is. Vele westerlingen hebben al kennisgemaakt met de non-dualiteit en de innige verbondenheid van alles met alles, zoals men dat in traditionele stromingen in het verre Oosten heeft gecultiveerd. Zo kennen we het Yin-Yang symbool dat voor het eerst genoemd werd in het orakelboek I Tjing. Het is een voorstelling van de kosmische dualiteit, niet als tegenstelling, maar als complementaire waarden. Het donkere Yin is de veroorzaker van Yang (aangeduid met de witte stip in het donkere vlak) en omgekeerd. Het symbool straalt een dynamische balans uit tussen het vrouwelijke (Yin) en mannelijke (Yang). Er is sprake van harmonie. Samen vormen deze helften een eenheid in de vorm van een cirkel.

De Tao (alles wat is) manifesteert zich in twee tegengestelde waarden 'die geen dualiteit vormen', in de betekenis zoals wij die kennen. Yin (het éne) is niet beter dan Yang (het andere) of andersom, ze zijn evenwaardig. Evenwaardig betekent in deze gelijk èn toch verschillend, dus niet gelijkwaardig.

In tradities als het boeddhisme, taoïsme, de joodse en christelijke mystiek, het soefisme en de advaita, is non-dualiteit zelfs de hoogste waarheid die door meditatie ervaren kan worden.

In het ‘Evangelie van Thomas’ - één van de Nag Hammadi geschriften - wordt zelfs een gnostische leer van het Christendom beschreven. Advaita is Sanskriets voor ‘afwezigheid van tweeheid’. Deze Indiase stroming is gebaseerd op de Upanishaden van de 8e - 6e eeuw v.Chr. Het non-dualisme is inmiddels een wereldbeschouwing waarin de grenzen en scheidingen tussen bijvoorbeeld mij en de ander, subject en object en lichaam en geest, als aangeleerd en betrekkelijk worden gezien. Het non-dualiteitsbesef zou de mens veel milder stemmen. Het kan er voor zorgen dat de mens veel respectvoller met zijn medemens en de natuur (en dus ook de aarde) omgaat, immers alles is met alles verbonden.


Wat voor verdriet of welke teleurstelling kan er zijn voor wie weet dat alles in het Ene en het Ene in alles bestaat?

Isha Upanishad

41 keer bekeken

© 2020 by Marc Cornelisse. Proudly created with Wix.com