Vrijheid en angst

Bijgewerkt: 17 dec 2020

Angst hoort bij het mens-zijn’, zo lees ik in een boek over Søren Kierkegaard. Wanneer je angst ervaart, is dat altijd iets onbepaalds (anders wordt het namelijk vrees genoemd). Het is alsof je tijdens een wandeling plotseling bij een enorm ravijn aankomt. Kenmerkend voor de angst is de grote leegte die je tegemoet treedt (het horror vacui) en die bereik je in het volgende moment, de volgende dag of nog verder in de toekomst. De meest angstaanjagende leegte is voor allen waarschijnlijk je eigen dood. In die momenten van angst is het alsof je de vaste grond onder je voeten voelt verdwijnen. Maar die angst doet ook iets met jou: je bent bang jezelf te verliezen. Kierkegaard geeft daarbij als voorbeelden ‘het ouder worden’ en ‘het zien opgroeien van je kinderen’. Blijkbaar veroorzaakt het verstrijken van de tijd een existentiële angst bij ons, alsof we de samenhang van ons leven kwijtraken. Wie men was in het verleden, moet aansluiten bij wie men zal worden in de toekomst. In onszelf moeten we ons daartoe verhouden. Dat brengt Kierkegaard tot de stelling: ‘De mens is een synthese’. Om te kunnen bestaan moet ieder individu in zichzelf de samenhang realiseren ten aanzien van dit duale aspect van het leven. En zoals we weten, bewerkstelligen we die synthese in het ongrijpbare nu, in het ogenblik (het ogenblik waarop de geest (ofwel het Zelf) zich aan ons openbaart, aldus Kierkegaard). Menigeen heeft dit moment in een spreuk proberen te vatten.

Het gaat dus om de synthese van je verleden en je toekomst, het tijdelijke en de eeuwigheid, maar ook die van lichaam en ziel. Waarom boezemt ons dat bij tijd en wijle angst in? Volgens Kierkegaard is dat omdat de mens in die angst de mogelijkheid van zijn vrijheid ontdekt. Hij verhoudt zich in casu tot zijn mogelijkheden, tot het besef van vrijheid om eender wat te kiezen. Maar het kan ook zijn dat de angst de mens verlamt en hij deze mogelijkheid van vrijheid niet aangrijpt. Angst is dus niet zonder meer vrijheid, het is een gevangen vrijheid. Op dat moment komt de onschuld van de mens in het geding, en wel vanwege de mogelijkheid om van alles te kunnen doen (zelfs de ‘foute dingen’). Er ontstaat dan een angst voor de zonde, die volgens Kierkegaard in extremis de zonde zelf kan voortbrengen. In de angst wordt de mens zich van zichzelf bewust, als een Zelf. En de gêne doet haar intrede. De angst wordt hiermee gerelateerd aan het verschil tussen goed en kwaad en is daardoor een ethisch-existentieel dilemma geworden. In de Bijbel is daarover het volgende geschreven.


Genesis 2:16-17 Hij hield hem het volgende voor: ‘Van alle bomen in de tuin mag je eten, maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven.’ Genesis 2:23 Uit de rib die Hij bij de mens had weggenomen, bouwde God, de Heer, een vrouw en Hij bracht haar bij de mens.

Genesis 2:25 Beiden waren ze naakt, de mens en zijn vrouw, maar ze schaamden zich niet voor elkaar. Genesis 3:6-7 De vrouw keek naar de boom. Zijn vruchten zagen er heerlijk uit en ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken. Ze plukte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij at ervan. Toen gingen hun beiden de ogen open en merkten ze dat ze naakt waren. Daarom regen ze vijgenbladeren aan elkaar en maakten er lendenschorten van.


En ja, berouw komt na de zonde. De betekenis van berouw is volgens Kierkegaard, het voorkomen van het herhalen van fouten uit het verleden, het kwade. En het goede is ‘de vrijheid’, datgene dat je weer op de been helpt. Maar waarom is er dan tegen dat goede een innerlijk verzet? Dat heeft te maken met het moeten afkeuren van jouw fout uit je verleden, waardoor je in feite je eigen continuïteit of samenhang ondermijnt. Angst krijgt daardoor een demonisch karakter, omdat er een drang is om het verleden in tact te houden en dan maar in onvrijheid door te leven. Het effect daarvan, is dat men zichzelf als het ware insluit, niet te kennen wil geven.


We zouden vergeten zijn wat het is om mens te zijn, doordat we veronderstellen het te weten (aldus Kierkegaard). De mens is een verhouding tot zichzelf en wordt daarbij geconfronteerd met de opdracht zichzelf te worden. Wat is dan de waarheid voor het individu, waarop hij zijn leven kan bouwen? Wat definieert de slogan ‘Ken Uzelve’? Volgens Kierkegaard is onze innerlijke subjectiviteit (onze passie), ieders persoonlijke waarheid en dat vereist toe-eigening van elk handelingsperspectief tot anderen, zodat je je er innerlijk toe kunt verhouden. Ook dit maakt ons vrij. Het niet kiezen voor het goede ligt niet voor de hand, omdat men daardoor zelf onvrij wordt.


Angst kan men natuurlijk ook proberen te ontlopen. Daarmee vermijdt men het in ogenschouw nemen van de verhouding tussen zichzelf en het Zelf. Men vlucht voor de angst om de confrontatie met het Zelf niet aan te hoeven gaan. Deze vertwijfeling maakt het individu onvrij, waardoor hij zichzelf verliest door toedoen van zijn eigen handelen.


In de geschiedenis van het mensengeslacht begint ieder individu vanaf een ander startpunt zijn persoonlijke geschiedenis te ontwikkelen. Binnen die gezamenlijke geschiedenis staat elk individu in relatie tot de andere individuen, maar het verlangen naar het winnen aan identiteit met zichzelf vergt tevens een soort afscheiding. Elk individu maakt een zeer persoonlijke ontwikkeling door voor wat betreft de verhouding van zichzelf met zijn Zelf. Omdat de gemeenschappelijke taal ontoereikend is om deze verhouding volledig aan anderen kenbaar te maken, blijft een deel geheim en verborgen.


Het geweten is volgens Kierkegaard de verhouding van zichzelf tot het Zelf, een soort bewustzijn van mijzelf waar ik niet omheen kan. Dit bewustzijn weet alles wat ik weet en weet dat ik het weet. Je kunt hier niet omheen. De enige manier om ‘de stem van het geweten’ te negeren is, door te proberen het te overschreeuwen. Maar jouw geweten, blijft jouw geweten. Het Zelf moet wel door iets anders geconstitueerd zijn dan zichzelf, immers als het Zelf door de mens zelf was geconstitueerd, dan zou men het gevoel niet kennen iets anders te willen zijn. Dat 'andere' is volgens Kierkegaard God. De verhouding tussen zichzelf en het Zelf noemt hij derhalve een Godsverhouding, ofwel het geweten.


De opgave van de mens is - aldus Kierkegaard - om samenhang in zichzelf te krijgen, of met andere woorden: continuïteit en identiteit met zichzelf.


Dit blog is tot stand gekomen na het lezen van ‘VRIJHEID EN ANGST, Inleiding in het denken va Søren Kierkegaard’ van Arne Grøn (vertaald door Frits Florin). Mijn blog is absoluut geen samenvatting van dit boekje.

41 keer bekeken0 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven

© 2020 by Marc Cornelisse. Proudly created with Wix.com