Wie is ik?
- Marc Cornelisse
- 6 dagen geleden
- 3 minuten om te lezen
Mijn meest recente inzicht is dat, tegen de vigerende neurologische opvatting in, niet bewustzijn uit materie ontstaat, maar dat het ik uit de dubbele ontvankelijkheid opkomt als een emergente ordening binnen ervaring, echter zonder zelf te handelen, te initiëren of te veroorzaken.
Ā
Dit inzicht vraagt om een verschuiving in vertrekpunt. In het denken vanuit geworpenheid verschuift het accent al van keuze naar gegevenheid. De mens verschijnt daar niet primair als degene die kiest, maar als degene die zich aantreft in een situatie die al gaande is. Met de vraag naar bewustzijn verschuift dit accent verder, naar de grond van ervaring zelf. Die vraag raakt niet aan een technisch probleem, maar aan een principiƫle keuze die het mensbeeld tot in zijn kern bepaalt.
Ā
Binnen het dominante neurowetenschappelijke perspectief verschijnt bewustzijn als een emergent verschijnsel van materiƫle complexiteit. Sterke correlaties tussen hersenactiviteit en gedrag tonen overtuigend aan dat mentale functies samenhangen met neurale processen. Deze benadering heeft grote verklarende kracht en heeft ons begrip van gedrag en cognitie verdiept. In haar meest radicale formulering wordt dit standpunt verwoord door Dick Swaab (1944), die stelt: Wij zijn ons brein. Bewustzijn verschijnt hier als bijproduct van neuronale activiteit en niet als zelfstandig gegeven.
Ā
Het probleem van deze benadering ligt niet in de correlaties, maar in de verklaringsrichting. Men vertrekt vanuit hersenprocessen en veronderstelt dat daaruit ervaring moet ontstaan. Dat sprongetje laat zich niet maken. Geen enkele beschrijving van neurale activiteit kan verklaren waarom zij gepaard gaat met beleven. Correlatie beschrijft samenhang, maar geen oorsprong. Het eerste persoonsperspectief blijft daarmee buiten beeld, niet door gebrek aan data, maar door een principiële beperking van deze theorie.
Ā
Deze grens wordt scherp zichtbaar bij Thomas Nagel (1937). Je kunt alles weten over het lichaam, het gedrag en het zenuwstelsel van een vleermuis. Je kunt echolocatie volledig beschrijven en modelleren. Toch weet je daarmee niet hoe het is om als vleermuis te ervaren. Dat āhoe het isā verdwijnt niet door betere instrumenten. Het markeert een ontologische grens van objectiverende verklaringen.
Ā
Wat deze benaderingen delen, is een vaak onuitgesproken aanname. Zij veronderstellen dat er ergens een drager moet zijn die ervaring heeft. Of dat nu het brein is, zoals bij Swaab, of een impliciet subject binnen bewustzijnsfilosofieƫn, steeds wordt het ik stilzwijgend meegenomen als vanzelfsprekend uitgangspunt. Daarmee wordt het probleem niet opgelost, maar verplaatst. Zodra het ik als drager van ervaring wordt gedacht, ontstaat de vraag hoe ervaring bij dat ik terechtkomt. Die vraag leidt onvermijdelijk tot reductie of mystificatie.
Ā
Deze vastloper dwingt tot een andere vraagstelling. Niet hoe bewustzijn uit materie ontstaat, maar vanuit welk vertrekpunt ervaring begrijpelijk wordt. In dat perspectief verschijnt het ik niet als oorsprong, maar als emergente ordening binnen ervaring, terwijl bewustzijn geen effect is, maar het dragende veld waarin zowel ervaring als de ik-structuur kunnen verschijnen. Daarmee verschuift het gehele denkkader van waaruit ervaren plaatsvindt.
Ā
In mijn benadering wordt deze omkering consequent doorgevoerd. Ervaring hoeft niet te ontstaan, maar is altijd al gaande. Hersenprocessen verschijnen binnen ervaring en niet andersom. Dat kan omdat verschijnen altijd plaatsvindt binnen ontvankelijkheid. Die ontvankelijkheid wordt niet door het brein voortgebracht, maar verschijnt via het brein als gedifferentieerde ervaring. Het brein differentieert, articuleert en lokaliseert ervaring, maar brengt haar bestaan niet voort. Het klassieke probleem van het ontstaan van bewustzijn blijkt daarmee het gevolg van een verkeerd gekozen vertrekpunt.
Ā
Binnen dit kader wordt het eigenlijke emergente verschijnsel zichtbaar. Niet het bewustzijn verschijnt als effect, maar het ik. Het ik verschijnt waar ervaring wordt gebundeld en geordend onder temporele druk en sociale afstemming. Het ik is geen plaats waar ervaring zich afspeelt en geen drager van bewustzijn, maar een ordening die binnen een reeds dragend veld opkomt. Bewustzijn is geen eigenschap die iemand heeft, maar de voorwaarde waaronder zowel ervaring als ik-structuur kunnen verschijnen.
Ā
Binnen mijn filosofie krijgt ervaring daarmee een ontologische status als grondstructuur van verschijnen. Alles wat verschijnt, verschijnt binnen bewustzijn. Het ik verschijnt daarbinnen als emergente ordening en niet als oorsprong. Deze verschuiving is geen abstract metafysisch spel, maar heeft directe gevolgen voor het mensbeeld. De mens verschijnt niet langer als een biologisch systeem dat toevallig ervaart, maar als een verschijningspunt waarin bewustzijn zich organiseert binnen een lichaam en een wereld.
Ā
Daarmee verschuift ook het uitgangspunt van therapie. Niet het versterken of corrigeren van functies staat centraal, maar afstemming binnen een veld van ervaring dat reeds gegeven is. Betekenis hoeft niet te worden geproduceerd, maar kan verschijnen waar ordening ontspant. Het werk richt zich niet op het versterken van het ik, maar op het herkennen van zijn plaats als emergent effect binnen een dragend bewustzijnsveld.



Opmerkingen